Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
200505907/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften verbonden aan de bij besluit van 1 april 2003 voor zijn inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] verleende milieuvergunning alsmede vanwege overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505907/1.

Datum uitspraak: 11 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Werkendam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften verbonden aan de bij besluit van 1 april 2003 voor zijn inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] verleende milieuvergunning alsmede vanwege overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 23 juni 2005, verzonden op 24 juni 2005, heeft verweerder het hiertegen door vergunninghouder gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2005 herroepen en ingetrokken.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2005.

Bij brief van 31 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2005, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. H. van den Bruele, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Appellanten stellen dat zij ten onrechte niet zijn gehoord voorafgaand aan het nemen van de beslissing op bezwaar.

2.2.1.    In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord.

   In artikel 7:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift daarvan op de hoogte stelt alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

   Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

2.2.2.    Niet in geschil is dat appellanten moeten worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 7:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

   Uit de stukken is gebleken dat op 6 juni 2005 een hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Werkendam heeft plaatsgevonden waarin het bezwaarschrift van vergunninghouder gericht tegen het primaire besluit van 2 maart 2005 is behandeld. Vaststaat dat appellanten niet bij deze hoorzitting aanwezig zijn geweest. Voorts staat vast dat appellanten geen uitnodiging van verweerder hebben ontvangen om bij deze hoorzitting aanwezig te zijn. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellanten ook anderszins niet op de hoogte waren van het plaatsvinden van de hoorzitting.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 maart 2004 in zaak no. 200304658/1, blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat in deze bepaling een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure is neergelegd. Uitzonderingen op de hoorplicht dienen dan ook restrictief te worden geïnterpreteerd. Iedere twijfel omtrent de vraag of een belanghebbende van zijn recht betreffende het horen geen gebruik heeft willen maken, verhindert dat zonder meer van het horen kan worden afgezien. Slechts indien, overeenkomstig artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de belanghebbende - al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan - uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht te worden gehoord, kan van het horen worden afgezien. De bewijslast omtrent de hiertoe gebleken toestemming dient bij het bestuursorgaan te liggen.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellanten in een brief van 25 januari 2005 hebben aangegeven het bezoeken van hoorzittingen niet langer zinvol te achten, zodat volgens verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van appellanten kon worden afgezien. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het echter voldoende aannemelijk dat de brief van appellanten van 25 januari 2005, ondanks dat hierin wordt gesproken over hoorzittingen, uitsluitend betrekking heeft op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie in een andere procedure. Deze brief kan door verweerder in de onderhavige procedure derhalve niet worden ingeroepen. Nu niet is gebleken dat appellanten hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord in het onderhavige geval, had verweerder op grond van het bepaalde in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht niet mogen afzien van het horen van appellanten. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen en kan het reeds hierom niet in stand blijven.

2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten die door appellanten in verband met de behandeling van het beroep zijn gemaakt te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van appellanten om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar door verweerder, overweegt de Afdeling dat dit verzoek wordt afgewezen, aangezien appellanten geen deel hebben genomen aan de bezwaarschriftprocedure.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Werkendam van 23 juni 2005, kenmerk D64/5052;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Werkendam tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Werkendam aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Werkendam aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006

159-443.