Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
200504596/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2004 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) geweigerd aan appellante vergunning te verlenen voor de exploitatie van de recreatie-inrichting in het perceel Zichtenburglaan 23 te Den Haag (hierna: het partycentrum), bevolen dat het partycentrum met ingang van woensdag 19 mei 2004 om 12.00 uur voor onbepaalde tijd wordt gesloten voor bezoekers, en besloten zo nodig met toepassing van bestuursdwang het inrichten en drijven van het partycentrum te beletten indien dit na voornoemd tijdstip wordt geëxploiteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504596/1.

Datum uitspraak: 11 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], h.o.d.n. Partycentrum Zichtenburg, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3811 van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 april 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2004 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) geweigerd aan appellante vergunning te verlenen voor de exploitatie van de recreatie-inrichting in het perceel Zichtenburglaan 23 te Den Haag (hierna: het partycentrum), bevolen dat het partycentrum met ingang van woensdag 19 mei 2004 om 12.00 uur voor onbepaalde tijd wordt gesloten voor bezoekers, en besloten zo nodig met toepassing van bestuursdwang het inrichten en drijven van het partycentrum te beletten indien dit na voornoemd tijdstip wordt geëxploiteerd.

Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft de burgemeester het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2005, verzonden op 14 april 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 juni 2005 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en [echtgenoot] van appellante en voormalig exploitant van het partycentrum, en de burgemeester, vertegenwoordigd door C.E.J.M. Vaars en mr. B. Magnin, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de Algemene Politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester of in strijd met de aan deze vergunning verbonden voorschriften een recreatie-inrichting op te richten, uit te breiden, te wijzigen of te drijven.

   Ingevolge artikel 61B, eerste lid, van de APV weigert de burgemeester geheel of gedeeltelijk de vergunning indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de aanwezigheid van de recreatie-inrichting dan wel het drijven daarvan, het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde in de naaste omgeving te nadelig beïnvloedt dan wel zal beïnvloeden.

   Ingevolge artikel 61B, tweede lid, van de APV houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het eerste lid genoemde weigeringsgrond rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de recreatie-inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de recreatie-inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de recreatie-inrichting.

   Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de APV is de ondernemer verplicht toe te zien op een ordelijk verloop in de recreatie-inrichting, dan wel ervoor zorg te dragen dat erop wordt toegezien.

   Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de APV, voor zover thans van belang, kan de burgemeester, indien degene, die de recreatie-inrichting inricht of drijft, in strijd handelt met het bepaalde in artikel 57, eerste lid of artikel 62, eerste lid, dan wel indien hij dat anderszins ter bescherming van het woon- en leefklimaat noodzakelijk acht, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een recreatie-inrichting.

2.2.    De aan [echtgenoot] verleende vergunning voor de exploitatie van het partycentrum is bij besluit van 3 november 2003, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 19 februari 2004, ingetrokken. Ingevolge uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 februari 2004, 23 juni 2004 en 20 juli 2004 heeft appellante, die vanaf 1992 in het partycentrum als bedrijfsleidster werkzaam was en per 22 januari 2004 bij de Kamer van Koophandel als exploitant van het partycentrum staat geregistreerd, de exploitatie van het partycentrum tot 23 juli 2004 voortgezet. In de periode waarin appellante exploitant was van het partycentrum was [echtgenoot] daarin als bedrijfsleider werkzaam.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank de beslissing op bezwaar ten onrechte terughoudend heeft getoetst. Zij bestrijdt voorts de overweging van de rechtbank dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de exploitatie van het partycentrum het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving van het partycentrum werd en zou worden aangetast. Volgens appellante heeft de rechtbank miskend dat haar niets valt te verwijten terzake van de incidenten die aanleiding vormden tot weigering van een exploitatievergunning, en dat die weigering is gebaseerd op onjuiste gronden. De rechtbank heeft volgens haar voorts miskend dat de beslissing op bezwaar niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Ter nadere onderbouwing van haar stellingen heeft appellante, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij was wel degelijk aanwezig op de probleemloos verlopen houseparty die in de nacht van 16 op 17 april 2004 in het partycentrum plaatsvond, en zij was slechts kortstondig afwezig toen de politie arriveerde. Voor zover appellante wist, was ten tijde van de houseparty niet beslist op haar verzoek om ontheffing van de sluitingstijd tussen 04.00 en 05.00 uur, zodat er geen sprake van is dat zij zich bewust niet heeft gehouden aan de sluitingstijden. Aangezien zij leges had betaald voor de ontheffing en eerdere verzoeken om ontheffing werden ingewilligd nadat de leges waren voldaan, ging zij ervan uit dat de ontheffing zou worden verleend. De burgemeester heeft er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat het partycentrum op een bedrijventerrein annex industrieterrein is gelegen, zodat er geen directe overlast kan zijn voor het woon- en leefklimaat. De steekpartij op 25 april 2004 speelde zich ver van het partycentrum af en dit voorval was door geen enkele ondernemer te voorkomen. Voor de beweerdelijke overschrijdingen van de sluitingstijden op 26 juni 2004 en 10 en 11 juli 2004 is geen enkel bewijs aanwezig. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 9 augustus 2004 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.4.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de in artikel 61B, eerste lid, van de APV neergelegde bevoegdheid tot weigering van de exploitatievergunning en de in artikel 65, eerste lid, van de APV neergelegde bevoegdheid tot sluiting van de recreatie-inrichting discretionaire bevoegdheden betreffen die door de rechter terughoudend dienen te worden getoetst.

   Evenals de rechtbank gaat de Afdeling uit van de juistheid van de politierapportages, nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze onjuistheden bevatten. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de stukken in het dossier, waaronder diverse processen-verbaal en rapportages van de politie, is gebleken dat in de periode waarin appellante het partycentrum exploiteerde zich bij het partycentrum diverse incidenten hebben voorgedaan waarbij bijstand van en/of ingrijpen door de politie noodzakelijk was. Deze incidenten stonden ook naar het oordeel van de Afdeling in directe relatie met het partycentrum in die zin dat zij daarin zijn ontstaan dan wel het gevolg zijn van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op de in het partycentrum gehouden feesten. Uit de stukken blijkt voorts dat appellante het partycentrum op dezelfde wijze heeft geëxploiteerd als [echtgenoot] nadat de aan deze verleende exploitatievergunning werd ingetrokken, en dat appellante en [echtgenoot] slechts van positie hebben gewisseld. In de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak no. 200504588/1 is geoordeeld dat [echtgenoot] tevergeefs in hoger beroep opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [echtgenoot] niet heeft voldaan aan de verplichting om op een ordelijk verloop in het partycentrum toe te zien en dat de burgemeester deswege in redelijkheid tot intrekking van de exploitatievergunning kon besluiten.

   Gelet op de incidenten, waaruit blijkt dat appellante niet in staat is, dan wel bereid is gebleken, om in de periode waarin haar nog geen exploitatievergunning was verleend, op een ordelijk verloop in het partycentrum toe te zien, alsmede gelet op de omstandigheid dat appellante herhaaldelijk de sluitingstijden niet heeft nageleefd, zelfs niet toen [echtgenoot], die gedurende de afwezigheid van appellante daadwerkelijk de leiding had in het partycentrum, in de ochtend van 17 april 2004 door de politie meerdere malen werd gesommeerd het partycentrum te sluiten, is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid tot handhaving van de weigering van de exploitatievergunning heeft kunnen besluiten omdat het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde in de naaste omgeving van het partycentrum te nadelig werd en zal worden beïnvloed.

   De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen. De rechtbank heeft voorts met juistheid geconcludeerd dat de stelling van appellante dat haar ter zake van de incidenten niets te verwijten valt, aan het vorenstaande niet kan afdoen, aangezien appellante verantwoordelijk kan worden gehouden voor de beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde door de exploitatie van de recreatie-inrichting.

2.5.    Nu de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de burgemeester op goede gronden de weigering van de exploitatievergunning heeft gehandhaafd, was de burgemeester ingevolge artikel 65, eerste lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 57, eerste lid, van de APV, bevoegd terzake handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er geen zicht bestond op een wijziging van de exploitatiewijze van de recreatie-inrichting. Mitsdien heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.6.    Met betrekking tot het betoog van appellante dat de beslissing op bezwaar strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, sluit de Afdeling zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat door appellante niet aannemelijk is gemaakt dat zich in vergelijkbare mate ernstige incidenten voordoen bij de door appellante genoemde recreatie-inrichtingen in de binnenstad van Den Haag als bij het partycentrum, en dat door haar evenmin aannemelijk is gemaakt dat de burgemeester daartegen niet in dezelfde mate handhavend zou optreden als die incidenten zich daar wel zouden voordoen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006

91-450.