Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
200503428/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) aan appellant medegedeeld dat is besloten de bijhouding van de persoonslijst van zijn kinderen op te schorten wegens emigratie naar Indonesië en dat zij dan niet langer als ingezetene zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 112 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503428/1.

Datum uitspraak: 11 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1339 van de rechtbank Haarlem van 15 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) aan appellant medegedeeld dat is besloten de bijhouding van de persoonslijst van zijn kinderen op te schorten wegens emigratie naar Indonesië en dat zij dan niet langer als ingezetene zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2005, verzonden op 17 maart 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 27 april 2005 en 30 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door A.G.H.P. Jonkers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, gegevens betreffende het volgende land van verblijf en het eerste adres van verblijf in dat land ontleend.

   Ingevolge artikel 48, tweede lid, van de Wet GBA draagt, indien een ingezetene als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek, het volgende land van verblijf en het eerste adres van verblijf in dat land. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

   Ingevolge artikel 48, derde lid, van de Wet GBA wordt als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.

   Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Wet GBA is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, verplicht bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving binnen vijf dagen voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek te doen.

   Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2.2.    Voorop staat dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn (Memorie van Toelichting, TK 1988-1989, 21 123, nr. 3, blz. 13). Met het oog daarop dienen in de basisadministratie gegevens over de feitelijke verblijfplaats van betrokkenen te worden geregistreerd.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het besluit op bezwaar niet de verwachting bestond dat zijn gezin gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zou verblijven. Het verblijf van het gezin in Indonesië houdt rechtstreeks verband met het werk van appellant bij een reisorganisatie te Alkmaar. Appellant stelt dat verwacht werd dat de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever zou worden ontbonden vanwege de onzekere situatie in de landen waar hij reizen verzorgt en begeleidt. De ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst werd onverwacht telkens voor enige maanden uitgesteld. Hij voert aan dat niet is gebleken dat de gemeente Haarlem onderzoek heeft verricht naar de redelijke verwachting van het verblijf van zijn kinderen in het buitenland. Aangezien niet is gebleken dat zijn kinderen zijn geëmigreerd, berust het uitschrijven van de kinderen volgens appellant op een onjuiste, misleidende motivering.

2.3.1.    Appellant bestrijdt tevergeefs het oordeel van de rechtbank dat het college terecht is overgegaan tot uitschrijving van zijn kinderen uit de gemeentelijke basisadministratie.

   Uit informatie van de Afdeling Leerplicht van de gemeente is het college gebleken dat de kinderen van appellant sinds 10 januari 2000 niet meer staan ingeschreven op een Nederlandse school. Het college, dat ook over aanwijzingen beschikte dat de kinderen veelvuldig lange tijd in Indonesië verbleven, heeft naar aanleiding daarvan onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van de kinderen. In het kader van dit onderzoek is appellant bij brief van 16 juli 2003 een inlichtingenformulier toegezonden. Appellant heeft hierop niet gereageerd. Vervolgens is appellant bij brief van 25 november 2003 mededeling gedaan van het voornemen om de betrokken kinderen niet langer op te nemen als ingezetenen in de gemeentelijke basisadministratie wegens emigratie naar Indonesië. Gelet op artikel 48, derde lid, van de Wet GBA in samenhang met artikel 4:8, eerste lid, van de Awb was appellant, die in deze brief in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, de meest gerede partij om in het kader van de besluitvorming aan het college gegevens omtrent het verblijf van zijn kinderen te verschaffen. Ook op de brief van 25 november 2003 heeft appellant echter niet gereageerd.

   Beoordeeld moet worden of het college ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar van 15 juni 2004 zijn primaire besluit van 30 december 2003 heeft kunnen handhaven om de kinderen van appellant per 25 november 2003 uit te schrijven uit de gemeentelijke basisadministratie. Laatstgenoemde datum is de datum die op grond van artikel 48, derde lid, van de Wet GBA als datum van vertrek geldt.

   Eerst in hoger beroep heeft appellant documenten overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat verwacht werd dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden en derhalve niet de verwachting bestond dat de kinderen gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zouden verblijven. Het college heeft daarmee bij de besluitvorming geen rekening kunnen houden. Er is onvoldoende grond voor het oordeel dat het college ten tijde van het nemen van de besluiten van 30 december 2003 en 15 juni 2004 diende uit te gaan van de verwachting dat de arbeidsovereenkomst van appellant met zijn werkgever zou worden beëindigd. Voorts stonden de kinderen van appellant niet ingeschreven op een Nederlandse school en ze verbleven in ieder geval sedert het jaar 2000 langdurig in Indonesië. Mede in aanmerking genomen dat appellant niet heeft meegewerkt aan het door het college ingestelde onderzoek doordat hij niet heeft gereageerd op de in dat kader aan hem toegezonden brieven, moet dan ook worden geoordeeld dat het college bij de besluiten van 30 december 2003 en 15 juni 2004 de redelijke verwachting kon hebben dat de kinderen van appellant gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zouden verblijven. De rechtbank is terecht tot dezelfde slotsom gekomen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006

97-440.