Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
200505656/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2003 heeft appellant (hierna: de RDW) de aan [verweerster] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram op de keuringsplaats, gelegen aan de [locatie] te [plaats], voor de duur van zes weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505656/1.

Datum uitspraak: 4 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/345 van de rechtbank Maastricht van 20 mei 2005 in het geding tussen:

[verweerster], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2003 heeft appellant (hierna: de RDW) de aan [verweerster] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram op de keuringsplaats, gelegen aan de [locatie] te [plaats], voor de duur van zes weken ingetrokken.

Bij besluit van 29 januari 2004 heeft de RDW het daartegen door verweerster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door verweerster ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de RDW opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 juli 2005 heeft verweerster van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2005, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de RDW, is verschenen. Verweerster is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, kan de Dienst Wegverkeer aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is keuringsrapporten af te geven voor motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt.

   Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere dan in de voorgaande onderdelen genoemde, uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   In de Erkenningsregeling APK (Stcrt. 2000, 35) zijn regels neergelegd omtrent de erkenningseisen en erkenningsvoorschriften.

   Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK draagt de keurmeester er zorg voor dat de aan hem, ten behoeve van datacommunicatie, verstrekte pincode niet toegankelijk is voor anderen.

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK, voor zover thans van belang, wordt het keuringsrapport ondertekend door de keurmeester die het voertuig aan de keuring heeft onderworpen.

   Ingevolge artikel 44, tweede lid, wordt, alvorens tot het afmelden van een voertuig als bedoeld in het derde lid wordt overgegaan, door de keurmeester die het voertuig afmeldt nagegaan of de keuring heeft plaatsgevonden alsmede of aan de verplichtingen in artikel 43 is voldaan.

   Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a en h, van dit artikel wordt het voertuig door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld onder verstrekking van het pasnummer en de pincode van de keurmeester en de bevestiging dat de in het tweede lid voorgeschreven controleverplichting is nagekomen, waarna na de acceptatie van de afmelding een transactiecode wordt weergegeven.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK gelden, indien het voertuig blijkens mededeling van de Dienst Wegverkeer aan een steekproef wordt onderworpen, de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.

   Ingevolge artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder a, wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de terzake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat bij uitsluiting de keurmeester die het voertuig aan een keuring heeft onderworpen, gedurende de gehele steekproef aanwezig is en zelf feitelijke assistentie verleent bij het uitvoeren van de steekproef.

   Ingevolge artikel 58, voor zover thans van belang, wordt, indien de in artikel 45, tweede, vierde en vijfde lid, opgenomen voorschriften niet worden nageleegd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning.

   Met betrekking tot het toezicht op de APK-erkenninghouders en het opleggen van sancties voert de RDW een beleid dat is neergelegd in zogeheten Toezichtbeleidsbrieven, die aan elke erkenninghouder zijn verstrekt.

   In bijlage 1 bij het Toezichtbeleid APK Erkenninghouders van 1 maart 2000 staat vermeld dat onder meer bij het niet verlenen van medewerking bij het toezicht door de RDW, bij onbevoegde ondertekening van het keuringsrapport en bij onbevoegd gebruik van de pincode van de keurmeester in beginsel een sanctie van tijdelijke intrekking van de erkenning voor de duur van twaalf weken volgt.

2.2.    De RDW heeft de intrekking voor de duur van zes weken van de aan verweerster verleende erkenning gehandhaafd, omdat zij heeft gehandeld in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 40, tweede lid, artikel 44, tweede en derde lid, aanhef en onder h, en artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Erkenningsregeling APK. Daartoe heeft de RDW zich op het standpunt gesteld dat bij de in het kader van een steekproef geëiste herkeuring op 7 augustus 2003 van het voertuig met het kenteken […] (hierna: het voertuig) is gebleken dat de keurmeester de hem ten behoeve van de datacommunicatie verstrekte pincode toegankelijk heeft gemaakt voor derden en voorts dat niet alle medewerking is verleend aan de steekproef, omdat bij het uitvoeren van de herkeuring de betreffende bevoegde keurmeester, zijnde de keurmeester op wiens naam en pincode de te keuren auto via datacommunicatie is afgemeld, te weten [keurmeester], niet aanwezig was in de keuringsplaats.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het aan - thans - verweerster is toe te rekenen dat de pincode van de keurmeester voor anderen toegankelijk was en dat haar terecht wegens deze overtreding van het voorschrift van artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK een sanctie is opgelegd. De rechtbank heeft de RDW echter niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerster het bepaalde in artikel 44, tweede lid, respectievelijk artikel 44, derde lid, aanhef en onder h, van de Erkenningsregeling APK heeft overtreden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de keurmeester die het voertuig feitelijk heeft afgemeld, te weten [werknemer], niet is nagegaan of de keuring had plaatsgevonden en aan de verplichtingen, zoals vermeld in artikel 43 van de Erkenningsregeling APK, was voldaan, noch is gebleken dat hij bij de afmelding heeft nagelaten te bevestigen dat de voormelde controleverplichting was nagekomen. Uit de feiten blijkt volgens de rechtbank dat niet [keurmeester] maar [werknemer] de keurmeester is die het voertuig aan een keuring heeft onderworpen. Nu niet is gebleken dat [werknemer] niet in het garagebedrijf aanwezig was toen de steekproefcontroleur verscheen, is de rechtbank van oordeel dat verweerster het voorschrift van artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Erkenningsregeling APK niet heeft overtreden. Voor zover de RDW meent dat ter beantwoording van de vraag wie de keurmeester is geweest die het voertuig aan een keuring heeft onderworpen de gegevens in het geautomatiseerd systeem waarover de RDW beschikt doorslaggevend zijn, heeft de RDW niet aangegeven op welke bepaling dat standpunt berust, aldus de rechtbank.

2.4.    De RDW bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat voor de toepassing van de wettelijke voorschriften bepalend is wie het voertuig feitelijk heeft gekeurd en afgemeld. Daartoe betoogt de RDW, met verwijzing naar het wettelijke systeem omtrent de keuringen, dat hij dient uit te gaan van de juistheid van de gegevens die het geautomatiseerde systeem aangeeft betreffende de keurmeester en het voertuig dat wordt afgemeld. Nu vaststaat dat het voertuig in het geautomatiseerde systeem op naam en pincode van [keurmeester] is afgemeld, dient er volgens de RDW derhalve van te worden uitgegaan dat hij degene is die het voertuig heeft gekeurd. Aangezien het keuringsrapport niet door [keurmeester] is ondertekend en hij bij aankomst van de steekproefcontroleur niet aanwezig was, is, zo stelt de RDW, gehandeld in strijd met artikel 43, eerste lid, artikel 44, tweede lid en derde lid, aanhef en onder h, en artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Erkenningsregeling APK.

2.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 november 2005 in zaak no. 200409073/1 heeft een erkenninghouder door het vragen om en aanvaarden van erkenning als keuringsinstantie een publieke taak op zich genomen ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid die hem ook uitsluitend met het oog daarop is toegekend. Voor de uitvoering van die taak is een erkenninghouder de bevoegdheid toegekend om keuringsbesluiten te nemen. Bij het toezicht op de aanwending van die bevoegdheid staat centraal de beoordeling of hij op de voorgeschreven wijze en met correcte toepassing van de aan voertuigen gestelde technische eisen de juiste keuringsbesluiten heeft genomen. Daarom heeft een erkenninghouder met de aanvaarding van voormelde publieke taak een risico genomen van verlies van keuringsbevoegdheid wegens het maken van fouten dat niet tot verwijtbare misslagen is beperkt.

2.6.    Omtrent de feitelijk gang van zaken staat het navolgende vast. [keurmeester], die ten gevolge van een beroerte lijdt aan geheugenverlies, heeft een briefje met daarop vermeld zijn pincode voor ieder zichtbaar aan de muur bij de afmeldterminal in zijn bedrijf bevestigd. In afwachting van de komst van [werknemer] die tijdens de vakantie van [keurmeester] de keuringen zou verrichten, heeft een monteur de te keuren voertuigen, waaronder het voertuig met het kenteken […], reeds met gebruikmaken van de pincode van [keurmeester] op diens naam aangemeld in het datacommunicatiesysteem. Toen [werknemer] na het verrichten van de keuring de voertuigen wilde afmelden, zag hij op het computerscherm dat het systeem ervan uitging dat [keurmeester] als keurmeester optrad. Hij heeft toen vergeefs getracht de naam en gegevens van [keurmeester] te vervangen door de zijne. Aldus zijn de voertuigen afgemeld op naam van [keurmeester] als verantwoordelijk keurmeester, hoewel de keuring feitelijk is verricht door [werknemer], die ook het keuringsrapport heeft ondertekend. [keurmeester] was niet aanwezig bij aankomst van de steekproefcontroleur.

   Voorts is niet in geschil dat, om onjuistheden bij het afmelden door erkenninghouders en keurmeesters te voorkomen, in het afmeldsysteem nadrukkelijk wordt aangegeven dat en onder welke gegevens een bepaald voertuig in het systeem wordt afgemeld dat tevens de gelegenheid wordt geboden om bepaalde onjuistheden te corrigeren. Op het moment dat het afmeldsysteem vraagt om de bevestiging van de afmelding van een bepaald voertuig worden de erkenninghouder en de keurmeester in de gelegenheid gesteld daadwerkelijke afmelding in het systeem wegens niet in het kader van de afmeldprocedure te corrigeren onjuistheden niet te laten plaatsvinden door deze niet te bevestigen.

2.7.    Bij de beoordeling van de aan verweerster opgelegde maatregel stelt de Afdeling voorop dat, naar de rechtbank in hoger beroep onbestreden heeft geoordeeld, het verweerster is aan te rekenen dat in strijd met artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK de pincode van haar keurmeester voor anderen eenvoudig toegankelijk was. Tevens komt het voor de verantwoordelijkheid van verweerster dat de door [werknemer] te keuren voertuigen door een monteur in het datacommunicatiesysteem ter keuring zijn aangemeld met de pincode en op naam van [keurmeester], dit terwijl bovendien bekend was dat deze keurmeester niet de keuring zou verrichten. De complicaties die hierdoor zijn opgetreden, komen daarom evenzeer voor rekening en risico van verweerster. Daarbij is tevens van belang dat [werknemer] tijdens de afmeldprocedure van het computerscherm heeft kunnen aflezen dat het datacommunicatiesysteem ervan uitging dat niet hij maar [keurmeester] als keurmeester optrad en dat dit in het kader van de afmeldprocedure niet meer kon worden gewijzigd. [werknemer] heeft moeten begrijpen dat hij onder die omstandigheden de afmelding niet kon bevestigen, noch het keuringsrapport kon ondertekenen. Nu [werknemer] handelde als vervangend keurmeester van verweerster, komen diens fouten voor haar verantwoordelijkheid. De Afdeling is voorts van oordeel dat de RWD omwille van de uitvoerbaarheid en de effectiviteit van de door hem te verrichten controle op de kwaliteit van de keuringen in beginsel uit mag gaan van de juistheid van de door de erkenninghouder en keurmeester in het datacommunicatiesysteem ingevoerde gegevens.

   Volgens het geautomatiseerde afmeldsysteem heeft [keurmeester] het voertuig afgemeld. Er is geen grond voor het oordeel dat de RDW niet van de juistheid van dit in het geautomatiseerde systeem ingevoerde gegeven mocht uitgaan. Derhalve mocht de RDW er eveneens van uitgaan dat [keurmeester] de keurmeester was die het voertuig heeft gekeurd. Nu voorts deze keurmeester niet aanwezig was op het moment dat de steekproefcontroleur in de garage aanwezig was, betoogt de RDW terecht dat verweerster heeft gehandeld in strijd met artikel 43, eerste lid, artikel 44, tweede lid en derde lid, aanhef en onder h, en artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Erkenningsregeling APK. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgrond waar de rechtbank niet aan toe is gekomen, behandelen.

2.9.    Verweerster heeft betoogd dat de intrekking van de erkenning voor de duur van zes weken disproportioneel is. De RDW heeft echter met recht naar voren heeft gebracht dat, gelet op de in bijlage 1 bij het Toezichtbeleid APK Erkenninghouders van 1 maart 2000 genoemde intrekkingsduur van twaalf weken en gelet op het gegeven dat verweerster heeft gehandeld in strijd met zowel de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK, als die van artikel 43, eerste lid, artikel 44, tweede en derde lid, aanhef en onder h, en artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Erkenningsregeling APK, geen grond bestaat voor het oordeel dat de intrekking van de erkenning voor de duur van zes weken in dit geval onevenredig is. Het betoog faalt dan ook. De Afdeling zal het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 mei 2005, AWB 04/345;

II.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2006

204-419.