Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
200501564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft verweerder hogere geluidswaarden vastgesteld in de gemeente Aalsmeer in verband met verkeerslawaai vanwege de omlegging van de N201.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 157
Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen
Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen 1a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/5206
JOM 2007/198
OGR-Updates.nl 1001117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501564/1.

Datum uitspraak: 4 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft verweerder hogere geluidswaarden vastgesteld in de gemeente Aalsmeer in verband met verkeerslawaai vanwege de omlegging van de N201.

Bij besluit van 6 januari 2005, verzonden op 10 januari 2005, kenmerk 2004-33272, voor zover thans van belang, heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 juli 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. D. Winters, advocaat te Hoofddorp, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 82 van de Wet geluidhinder, is, behoudens het in de artikelen 82a, 83 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 50 dB(A).

   Ingevolge artikel 83, voor zover thans van belang, kunnen gedeputeerde staten op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen.

   Het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit) geeft een nadere uitwerking aan onder meer artikel 83 van de Wet geluidhinder.

2.2.    Bij besluit van 16 juni 2004 heeft verweerder voor de gevel van de woning van appellant een grenswaarde van 51 dB(A) vastgesteld.

2.3.    Voor zover appellant betoogt dat een advies van de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid ontbreekt, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat de inspecteur bij brief van 15 juni 2004 op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid advies uit te brengen naar aanleiding van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer om hogere waarden vast te stellen. De Afdeling ziet in deze door appellant aangevoerde grond dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.

2.4.    Appellant stelt voorts dat in het akoestisch onderzoek van DGMR van 16 april 2004, waarop het bestreden besluit mede is gebaseerd, geen rekening is gehouden met de specifieke omstandigheden van het gebied, dat de in het onderzoek gebruikte verkeersintensiteit niet betrouwbaar is, dat ten onrechte een over de N201 geprojecteerde fiets- en voetgangersbrug niet in de berekening van de geluidsbelasting is meegenomen en dat ten onrechte in de berekeningen is uitgegaan van dubbellaags ZOAB, terwijl geen zekerheid bestaat dat dit wordt gebruikt.

2.4.1.    Volgens het deskundigenbericht is niet gebleken dat specifieke omstandigheden niet in aanmerking zijn genomen, dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste verkeersintensiteit en dat reflectie van geluidsbelasting door de fiets- en voetgangersbrug een significante invloed heeft op de geluidsbelasting, zodat opneming daarvan in het rekenmodel niet noodzakelijk is. Met hetgeen appellant heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusies onjuist zijn. Voorts is er geen reden om ervan uit te gaan dat in afwijking van het akoestisch rapport dubbellaags ZOAB niet als wegverharding zal worden gebruikt. De beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.5.    Voor zover appellant stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de feitelijke verkeerssnelheid op de N201, die boven de 80 km/h zal liggen, overweegt de Afdeling dat verweerder terecht is uitgegaan van de toegestane maximumsnelheid, die 80 km/h bedraagt. De beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Appellant betoogt voorts dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de cumulatie van geluid.

2.6.1.    In artikel 157, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien Afdeling 2 van hoofdstuk VI van deze wet of van het krachtens dit onderdeel bepaalde van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 41, 53, 74, 107 en 108 van deze wet en artikel 25a van de Luchtvaartwet, gedeputeerde staten ervoor zorgdragen dat voldoende aandacht wordt geschonken aan de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de onderscheiden te treffen maatregelen.

   Ingevolge artikel 157, derde lid, van de Wet geluidhinder, voor zover thans van belang, kan de Minister, ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid bepalen, dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van woningen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan worden toegepast.

   In artikel 1a van het Besluit is bepaald dat indien artikel 157 van de Wet geluidhinder van toepassing is, gedeputeerde staten slechts toepassing geven aan de artikelen 2, 5, 7 en 8, voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 157, derde lid, van de Wet geluidhinder niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

2.6.2.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de milieu-effectrapportage MER Schiphol 2003 blijkt dat in het prognosejaar 2010 de geluidsbelasting vanwege de burgerluchtvaart circa Lden 58 tot 60 dB(A) bedraagt. Voorts zal het aantal gehinderden na aanleg van de weg met ten hoogste 1 procent toenemen, hetgeen door verweerder acceptabel wordt geacht.

   Ter zitting heeft verweerder medegedeeld inmiddels in gevallen als dit meer onderzoek uit te voeren.

2.6.3.    Niet in geschil is dat de woning van appellant in meerdere zones, als bedoeld in artikel 157, eerste lid, van de Wet geluidhinder, is gelegen.

   De Afdeling stelt voorop dat een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Wet geluidhinder, ontbreekt. Dit laat evenwel onverlet dat verweerder, gelet op artikel 1a van het Besluit, gehouden is bij het vaststellen van hogere waarden de cumulerende geluidsbelastingen te betrekken en te beoordelen of al dan niet sprake is van een onaanvaardbare geluidsbelasting. Naar het oordeel van de Afdeling is een enkele verwijzing naar te verwachten geluidsbelasting vanwege het luchtvaartverkeerslawaai en een algemene beoordeling van de toename van het totaal aantal gehinderden in de omgeving daarvoor onvoldoende. Daarbij overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de cumulerende geluidsbelastingen voor de gevel van de woning van appellant zijn gemeten en evenmin dat de totale geluidsbelasting vanwege de verschillende geluidsbronnen anderszins op genoegzame wijze is beoordeeld.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling het standpunt dat het vaststellen van de hogere waarden niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting, onvoldoende gemotiveerd, hetgeen in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 6 januari 2005, kenmerk 2004-33272, voor zover daarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van  € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2006

191-424.