Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU9069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2005
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
200510559/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

ij besluit van 3 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college), door het doorhalen van zijn naam op de lijst van ingeschrevenen voor staanplaatsen, de marktrechten van verzoeker op de zaterdagmarkt en de donderdagmarkt te Rotterdam West ingetrokken met ingang van 25 oktober 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510559/2.

Datum uitspraak: 30 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 05/2212 van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2005 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college), door het doorhalen van zijn naam op de lijst van ingeschrevenen voor staanplaatsen, de marktrechten van verzoeker op de zaterdagmarkt en de donderdagmarkt te Rotterdam West ingetrokken met ingang van 25 oktober 2004.

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het college het door verzoeker daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de naam van verzoeker niet per 25 oktober 2004, maar per 1 januari 2006 wordt doorgehaald voor de zaterdagmarkt en de donderdagmarkt te Rotterdam West.

Bij uitspraak van 8 december 2005, verzonden op 13 december 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door verzoeker daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2005, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 december 2005, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Huijgens, werkzaam bij Schep Advocaten te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Konijnendijk en mr. C.J. van den Dool, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn als getuigen gehoord [getuigen].

De Voorzitter heeft het verzoek bij mondelinge uitspraak ingewilligd en

I.  bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 18 april 2005 en 3 september 2004 geschorst;

II  het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam veroordeeld tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 916,74; dit bedrag dient door de gemeente Rotterdam aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III gelast dat de gemeente Rotterdam aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Daartoe is als volgt overwogen.

De doorhaling van de naam van verzoeker voor de donderdag- en de zaterdagmarkt heeft voor betrokkene ingrijpende en onomkeerbare gevolgen. Aan een besluit dat daartoe strekt dient dan ook een zorgvuldig onderzoek ten grondslag te liggen, waarbij sprake moet zijn van deugdelijke rapportages. Ter zitting is gebleken dat de afwezigheid van verzoeker door de marktmeesters telkenmale is geconstateerd zonder dat de bij de kraam van verzoeker aanwezige medewerkers de mogelijkheid is geboden om aan te geven wat er aan de hand is. Naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter heeft het daarmee aan de vereiste zorgvuldige voorbereiding ontbroken en staan de door het college in het geding gebrachte constateringen van onvoldoende aanwezigheid op de markt van verzoeker niet vast, mede gezien de omstandigheid dat de onder ede gehoorde getuigen ter zitting deze constateringen in belangrijke mate hebben tegengesproken. Het is dan ook niet op voorhand uitgesloten dat de aangevallen uitspraak en het besluit op bezwaar niet in stand zullen blijven.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Zwemstra

Voorzitter                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2005

91.