Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8790

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200501375/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom (hierna: de gemeenteraad) geweigerd aan appellante vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen ten behoeve van de vestiging van een aardnotenbakkerij in combinatie met de opslag van zilveruien op het perceel Slotweg 2a te Lepelstraat (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501375/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Thopol B.V.", gevestigd te Nieuw-Vossemeer,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 03/2407 van de rechtbank Breda van 4 januari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de gemeenteraad van Bergen op Zoom.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom (hierna: de gemeenteraad) geweigerd aan appellante vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen ten behoeve van de vestiging van een aardnotenbakkerij in combinatie met de opslag van zilveruien op het perceel Slotweg 2a te Lepelstraat (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2005, verzonden op 5 januari 2005, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 april 2005 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

Bij brief van 20 oktober 2005 zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.M.E.M. Verpaalen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Halsteren de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf", met subbestemming "aardappelverwerkend bedrijf". Vaststaat dat de vestiging van een bedrijf gericht op het bakken van aardnoten en de opslag van zilveruien in strijd is met die bestemming en ingevolge de planvoorschriften is verboden.

2.2.    Appellante komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeenteraad zijn weigering om vrijstelling te verlenen voor de vestiging op het perceel van een aardnotenbakkerij alsmede voor de opslag van zilveruien in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.3.    De gemeenteraad voert een restrictief beleid ten aanzien van de vestiging van niet agrarische bedrijven in het buitengebied. Uitgangspunt is dat niet aan het buitengebied gebonden bedrijven dienen te worden gevestigd op een bedrijventerrein en uit het buitengebied moeten worden geweerd. Evenals de rechtbank acht de Afdeling dat beleid niet onredelijk.

2.4.    Aan het perceel is bij de vaststelling van het bestemmingsplan in 1996 een op het toentertijd ter plaatse gevestigde aardappelverwerkingsbedrijf toegesneden bestemming toegekend omdat geen zicht bestond op beëindiging daarvan binnen de planperiode. Dit brengt echter niet mee dat de gemeenteraad, nu dat bedrijf haar activiteiten ter plaatse heeft beëindigd, gehouden zou zijn medewerking te verlenen aan de vestiging van andere niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. De omstandigheid dat slechts gebruik wordt gemaakt van op het perceel aanwezige bebouwing en dat de bedrijfsactiviteiten van de aardnotenbakkerij volgens appellante minder milieubelastend zijn dan die van het voorheen daar gevestigde aardappelverwerkingsbedrijf, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat artikel 33.3.2 van de planvoorschriften, dat wijziging van de bedrijfsvorm van een bestaand bedrijf toestaat mits de bedrijfsuitoefening van het nieuw te vestigen bedrijf overwegend van lokale aard is, geen mogelijkheden biedt voor vestiging van de aardnotenbakkerij nu de bedrijfsuitoefening daarvan niet van overwegend lokale aard is. De aan dat voorschrift gegeven uitleg van de gemeenteraad dat het moet gaan om een functionele binding met de in de directe omgeving gelegen agrarische bedrijven, acht de Afdeling niet onjuist.

2.5.    Appellante heeft een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan, in die zin dat de gemeente haar vóór de aankoop van het perceel heeft toegezegd medewerking te zullen verlenen aan de vereiste vrijstelling. Dit betoog faalt. Aan de brief van het college van burgemeester en wethouders van 21 mei 1999 noch aan de brief van dat college van 22 juni 2001 kon appellante het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de gemeenteraad de gevraagde vrijstelling zou verlenen. Nog daargelaten dat deze brieven niet afkomstig zijn van het tot verlening van vrijstelling bevoegde bestuursorgaan, bevatten zij niet een toezegging dat bedoelde vrijstelling zal worden verleend. Voor zover appellante verwachtingen heeft kunnen ontlenen aan uitspraken zijdens N.V. Rewin, is de gemeenteraad daaraan niet gebonden reeds omdat deze uitspraken niet aan dat bestuursorgaan kunnen worden toegerekend.

2.6.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de gemeenteraad zijn besluit tot weigering van vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

412.