Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200503333/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: het college), voor zover hier van belang, appellante vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een tweede bedrijfswoning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503333/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1201 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 23 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: het college), voor zover hier van belang, appellante vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een tweede bedrijfswoning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 22 mei 2002 gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 23 februari 2005, verzonden op 8 maart 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [appellanten], bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de voor het bouwplan gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren, aangezien haar pluimveebedrijf zodanig van aard is dat het zonder een tweede bedrijfswoning redelijkerwijs niet kan worden geëxploiteerd. Appellante verwijst in dit verband naar de door haar overgelegde brieven van dierenarts De Vries van 1 juni 2004 en 14 april 2005.

2.1.1.    Anders dan het college betoogt, kan niet worden geoordeeld dat de eerst in beroep en hoger beroep overgelegde brieven van De Vries buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Deze brieven, alsmede de daarop ter zitting gegeven toelichting, zijn immers te beschouwen als een nadere onderbouwing van hetgeen appellante in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.

2.1.2.    Vast staat dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" eerst na het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, lid C, sub 4 onder 1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, in een bouwtitel voor een tweede agrarische bedrijfswoning voorziet. Ingevolge dit artikelonderdeel kunnen burgemeester en wethouders, voor zover hier van belang, uitsluitend indien dit ter plaatse noodzakelijk is uit oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling, vrijstelling verlenen voor wat betreft de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning.

2.1.3.    Het college heeft teneinde te bepalen of een tweede bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is uit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling tweemaal advies gevraagd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: de AAB).

De AAB heeft bij haar adviezen als uitgangspunt gehanteerd dat een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf slechts kan worden toegestaan indien sprake is van een bedrijf met een arbeidsbehoefte van tenminste twee volwaardige arbeidskrachten, waarvan de continuïteit op de langere tijd is gewaarborgd en het bedrijf zodanig van aard is dat deze zonder een tweede bedrijfswoning redelijkerwijs niet kan worden geëxploiteerd. Hierbij zijn van belang de werkzaamheden die buiten de gebruikelijke arbeidstijden en op niet van tevoren vaststaande tijdstippen uitgevoerd moeten worden. Het college heeft dit uitgangspunt in redelijkheid kunnen betrekken bij de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de hiervoor bedoelde vrijstellingsbevoegdheid.

2.1.4.    De AAB heeft vastgesteld dat het bedrijf in de huidige situatie een arbeidsbehoefte heeft van circa twee volwaardige arbeidskrachten. Uit de adviezen van de AAB blijkt verder dat zij een tweede bedrijfswoning niet noodzakelijk acht, omdat het benodigde toezicht vanuit één bedrijfswoning kan worden gehouden. Volgens haar kan door middel van goede werkafspraken en met behulp van moderne telecommunicatiemiddelen worden voorzien in een acceptabele verdeling van de arbeidsbelasting op het bedrijf.

   Er is geen grond voor het oordeel dat de adviezen van de AAB naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen, dat het college zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door appellante overgelegde brieven van De Vries en de daarop ter zitting gegeven toelichting, weliswaar de wenselijkheid van een tweede bedrijfswoning aantonen, doch niet de noodzaak daarvan.

2.1.5.    Ook in hetgeen appellante verder betoogt kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het pluimveebedrijf zodanig van aard is dat het zonder een tweede bedrijfswoning redelijkerwijs niet kan worden geëxploiteerd. In dit verband is van belang dat ter zitting is gebleken dat ook voor de op het perceel woonachtige arbeidskracht geldt dat de hygiënesluis dient te worden gepasseerd, alvorens de stal kan worden betreden. Gelet op het verhandelde ter zitting acht de Afdeling voorts niet aannemelijk dat de in de omgeving van het bedrijf beschikbare woningen op zodanige afstand van het perceel staan, dat dit - vanwege de reistijd - ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering oplevert.

2.2.    Gelet op het voorgaande heeft het college, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid kunnen besluiten geen vrijstelling te verlenen en de gevraagde bouwvergunning terecht geweigerd.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Van der Vlis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

275-503.