Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200409916/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een energiepremie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409916/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een energiepremie afgewezen.

Bij besluit van 25 oktober 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. R. Menschaert, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van Amerongen, werkzaam bij het ministerie van verweerder, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) kan verweerder voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van het milieubeheer subsidie verstrekken.

2.2.    Op basis van artikel 15.13, eerste lid, van de Wm is vastgesteld de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt. 2002, nr. 248), gewijzigd bij regeling van 5 augustus 2003 (Stcrt. 2003, nr. 157) (hierna: de Tre 2003).

   Ingevolge artikel II, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling intrekking en overgangsbepalingen Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt 2003, nr. 193), gewijzigd bij regeling van 6 november 2003 (Stcrt. 2003, nr. 220) (hierna: de Intrekkingsregeling), is de Tre 2003 met ingang van 16 oktober 2003 ingetrokken, met dien verstande dat de artikelen 1 tot en met 10 en 12 en de bijlagen 1 en 2 van die regeling van toepassing blijven ten aanzien van een op of na 16 oktober 2003 ingediende aanvraag ten aanzien van een apparaat of voorziening, terzake waarvan de koopovereenkomst vóór genoemde datum is gesloten, met dien verstande dat zowel de levering als het indienen van de aanvraag, in zoverre in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003, zoals deze luidde op 15 oktober 2003, vóór 16 januari 2004 moeten hebben plaatsgehad.

   Artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003 bepaalt dat een aanvraag binnen dertien weken na de aanschaf van een apparaat of voorziening wordt ingediend bij het energiebedrijf.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Tre 2003 wordt onder aanschaf verstaan de eigendomsverkrijging door levering krachtens een in het kalenderjaar 2003 met een leverancier gesloten koopovereenkomst.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Tre 2003 wordt onder energiepremie verstaan de in bijlage 1 genoemde premie, uit te keren vanwege de aanschaf van een daarin genoemd apparaat of daarin genoemde voorziening.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, onder 1, van de Tre 2003 wordt onder voorziening verstaan een in het kalenderjaar 2003 aangeschafte, in of aan een woning aangebrachte en in werking zijnde energiebesparende voorziening of maatregel als genoemd in bijlage 1.

2.3.    Appellant heeft vóór 16 oktober 2003 voor de verbouwing van zijn woning een aannemingsovereenkomst gesloten voor onder meer het aanbrengen van dak-, gevel- en glasisolatie. De aanvraag van appellant voor een energiepremie is op 28 november 2003 door het energiebedrijf ontvangen.

2.4.    Verweerder heeft zich bij zijn beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat appellant niet voor energiepremie in aanmerking komt nu niet aannemelijk is gemaakt dat de verbouwde woning van appellant is opgeleverd en in gebruik genomen vóór 16 januari 2004.

2.5.    Appellant betoogt dat de Tre 2003 uitgaat van het installeren of aanbrengen en het in werking zijn van de energiebesparende voorzieningen vóór 16 januari 2004, maar niet de eis stelt dat de woning waarin deze zijn aangebracht ook vóór die datum in gebruik moet zijn genomen. Hij stelt, daarbij wijzend op de schriftelijke verklaring van de aannemer van 24 februari 2004, dat de uitvoering van de isolatie van de gevel, van de isolatie van het dak en van het aanbrengen van isolerende beglazing geheel heeft plaatsgevonden in de periode van 3 tot en met 19 november 2003. Volgens appellant waren deze voorzieningen vanaf het moment dat zij waren aangebracht, in werking en is de datum waarop hij de geheel gerenoveerde woning in gebruik heeft genomen niet relevant, evenmin als de in de begeleidende brief van de architect van 28 november 2003 bij de aanvraag van appellant genoemde opleveringsdatum van 1 maart 2004, welke twee argumenten verweerder voor de ongegrondverklaring hanteert.

2.6.    Dit betoog slaagt. Verweerder is er in zijn besluit van 25 oktober 2004 van uitgegaan dat de totale oplevering van de verbouwing op 30 januari 2004 heeft plaatsgevonden en dat eerst op dat moment de voorzieningen daadwerkelijk in gebruik zijn genomen. Verweerder heeft dit standpunt blijkens zijn verweerschrift gebaseerd op de uitspraken van de Afdeling van 29 december 2004, met zaaknummers 200402862/1 en 200402488/1. Verweerder heeft hiermee echter miskend dat het in die gevallen nieuwbouw betrof van twee woningen in dezelfde straat te Vuren. Anders dan in de daar aan de orde zijnde gevallen betreft het in dit geding verbouwing van een reeds bestaande woning in eigendom van de aanvrager om een energiepremie. In zo een geval valt de datum van aanbrengen en in werking zijn van de isolerende voorziening niet zonder meer samen met die van de oplevering van het verbouwde. Immers, anders dan in het algemeen bij nieuwbouw het geval is, is ten tijde van de verbouwing de woning van appellant al feitelijk in diens macht, zodat hij geacht moet worden de beschikking te hebben over de isolerende voorzieningen zodra die zijn aangebracht en in werking zijn. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de isolerende voorzieningen op 19 november 2003 zijn aangebracht moet het tijdstip van in werking zijn in ieder geval op of na die datum liggen. Het bestek van de architect is vóór de aanvang van de verbouwing opgemaakt zodat aan de daarin vermelde datum van geplande ingebruikname van 30 januari 2004 als zodanig minder waarde kan worden toegekend dan de datum genoemd door de aannemer die het werk uitvoerde. Ditzelfde geldt voor de brief van de architect van 28 november 2003. Verweerder kon dan ook niet volstaan met een verwijzing naar die brief  of de door de aannemer genoemde datum van oplevering om tot een afwijzing te komen. Verweerder heeft verder geen onderzoek verricht naar het exacte tijdstip waarop de isolerende voorzieningen in werking waren gesteld, hoewel daartoe aanleiding bestond, gelet op de datum van de aanvraag, de daarin gedane mededelingen en de tijdens de hoorzitting van 16 september 2004 door appellant gedane mededeling dat direct na het aanbrengen van de voorzieningen veel is gestookt om het vocht uit de woning te krijgen, waarmee de voorzieningen toen al hun isolerende nut hebben gehad. De beslissing op bezwaar berust dan ook niet op een deugdelijke motivering.

2.7.    Het beroep is gegrond en het besluit van 25 oktober 2004 dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 oktober 2004, referentienummer EPR/2265CG106/BEZWHZ/3/958;

III.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

71-209.