Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200505603/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een akkerbouwbedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Moerkapelle, sectie […] nrs. […]. Dit besluit is op 19 mei 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505603/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een akkerbouwbedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Moerkapelle, sectie […] nrs. […]. Dit besluit is op 19 mei 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door ing. N.M. Heemskerk, ing. C. Demmendal en ing. A. de Vast, ambtenaren van de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], bijgestaan door [gemachtigden], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Bij wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), in werking getreden op 1 december 2005, is de Wet milieubeheer gewijzigd. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellant betoogt dat verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door toe te staan dat de ventilatoren in de aardappelloods tijdens de oogstperiode gedurende de nacht in bedrijf mogen zijn. Hij wijst daarbij op een fax van vergunninghoudster, aan verweerder verzonden op 10 januari 2005, waarin is medegedeeld dat, behoudens calamiteiten, geen noodzaak bestaat de ventilatoren gedurende de nacht in bedrijf te hebben.

2.3.1.    Verweerder is er op goede gronden van uitgegaan dat de vorenbedoelde fax dient te worden bezien in samenhang met de aanvraag en het daarvan deel uitmakende akoestisch rapport. Uit dit rapport blijkt dat de ventilatoren in de aardappelloods buiten de oogstperiode in de avond- en nachtperiode buiten gebruik zijn, doch tijdens de oogstperiode gedurende het gehele etmaal worden gebruikt om de opgeslagen producten te drogen. De mededeling in de fax kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat zij slechts betrekking heeft op de situatie buiten de oogstperiode.

2.4.    Appellant betoogt dat voor de oogstperiode ten onrechte hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Verder stelt hij dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken dat de door de inrichting tijdens de oogstperiode veroorzaakte geluidhinder verblijf in de tuin en het openlaten van deuren en ramen van de woning onmogelijk maakt. Verder voert hij aan dat verweerder er bij het stellen van de geluigrenswaarden ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de geluidhinder zich voordoet aan de 'geluidluwe' zijde van zijn woning.

2.4.1.    Ingevolge voorschrift 2.1 van de vergunning mag het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de gevel van woningen van derden niet meer bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 2.4, voor zover hier van belang, is het tijdens de oogstperiode toegestaan deze grenswaarden op de in het voorschrift genoemde beoordelingspunten te overschrijden met 3 tot 5 dB(A) voor de dagperiode, 1 tot 10 dB(A) voor de avondperiode en 2 tot 9 dB(A) voor de nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 2.2 van de vergunning mag het door de inrichting veroorzaakte maximale geluidniveau in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatste van de gevel van woningen van derden niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 2.5, voor zover hier van belang, is het tijdens de oogstperiode toegestaan deze piekgeluidgrenswaarden op de in het voorschrift genoemde beoordelingspunten te overschrijden met 5 dB(A) voor de dagperiode, 2 tot 10 dB(A) voor de avondperiode en 4 tot 15 dB(A) voor de nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 2.6 mag de in de voorschriften 2.4 en 2.5 bedoelde oogstperiode niet meer dan 3 weken per jaar voorkomen.

2.4.2.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder voor de beoordeling van het aspect geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   Paragraaf 5.3 van de Handreiking, die anders dan appellant meent, blijkens vaste jurisprudentie niet is beperkt tot gevallen waarin een geluidbeleid voorhanden is, biedt de mogelijkheid om voor regelmatige afwijkingen van representatieve bedrijfssituaties met een beperkte frequentie, maar vaker dan 12 keer per jaar, een hogere geluidemissie toe te staan dan onder de representatieve omstandigheden. Voor deze situaties kan het, na bestuurlijke afweging, toelaatbaar worden geacht dat vergunning wordt verleend tot een hogere grenswaarde. Daarbij zal het feit of er in die situaties sprake is van hinder en zo ja, in welke mate en in welke frequentie, een belangrijke rol spelen. Steeds zal een belangenafweging moeten plaatsvinden bij de vraag of de vergunning op deze wijze kan worden verleend, afhankelijk van het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het geluidniveau (absoluut en relatief), de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de betreffende activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het zich al dan niet voordoen van incidentele bedrijfssituaties. Verder is het gewenst dat de betreffende activiteiten zo nauwkeurig mogelijk in de aanvraag worden vermeld en in de vergunningvoorschriften worden vastgelegd. Met toepassing van dit onderdeel van de Handreiking kunnen, anders dan met de eveneens in paragraaf 5.3 beschreven zogenoemde 12 dagen-regeling, enkel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hogere geluidgrenswaarden worden vergund.

   Voor maximale geluidniveaus bevat paragraaf 3.2 van de Handreiking de aanbeveling deze te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Handreiking biedt de mogelijkheid om in gevallen waarin niet aan deze grenswaarden kan worden voldaan in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode en de grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode met 5 dB(A) te overschrijden. Deze uitzonderlijke bedrijfssituaties dienen in de vergunning te worden aangegeven. Voor de avondperiode is volgens paragraaf 3.2 geen ontheffing van de grenswaarde van 65 dB(A) mogelijk.

2.4.3.    Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter hoogte van de zogenoemde geluidluwe zijde van zijn woning lager is dan de in voorschrift 2.1 op de gevel gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Verder is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 december 2004, in zaak nr. <a target="_blank" href='http://rvs2.projectcolor.nl/verdicts/verdict_details.asp?verdict_id=8963'>200307297/1</a>, een tuin geen geluidgevoelig object dat in aanmerking komt voor bescherming tegen geluidhinder. In de voorschriften 2.1 tot en met 2.4 is verweerder verder overeenkomstig de Handreiking uitgegaan van de dichtst bij de inrichting gelegen gevels van de betrokken woningen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze voorschriften in zoverre toereikend zijn ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder.

2.4.4.    Wat de in de voorschriften 2.4 en 2.5 voor de oogstperiode toegestane uitzonderingen op de in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden betreft, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt allereerst vast dat de door verweerder in voorschrift 2.5 toegestane verhogingen van de geluidgrenswaarde voor het maximale geluidniveau voor de avondperiode op grond van de Handreiking niet mogelijk zijn. Hetzelfde geldt voor de in dat voorschrift toegestane verhogingen van de geluidgrenswaarde voor het maximale geluidniveau voor de nachtperiode, voor zover deze meer bedragen dan 5 dB(A). Door verweerder is onvoldoende gemotiveerd waarom op dit punt van de Handreiking is afgeweken. Bovendien zijn ook de overige in de voorschriften 2.4 en 2.5 toegestane verhogingen onvoldoende door verweerder onderbouwd. Weliswaar heeft hij in dat verband overwogen dat het een reeds bestaande en onvermijdelijke bedrijfssituatie betreft, die voorts beperkt blijft tot een periode van 3 weken per jaar, doch onvoldoende is gebleken dat het inderdaad niet redelijkerwijs mogelijk is extra technische en/of organisatorische voorzieningen te treffen ter beperking van de geluidhinder tijdens de oogstperiode. Dat in het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch rapport is gesteld dat verdergaande maatregelen niet haalbaar zijn, doet daaraan niet af, nu in dit rapport onvoldoende is aangegeven waarop dit wordt gebaseerd. Door zonder nader onderzoek uit te gaan van de conclusies van het rapport op dit punt, heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

   Het besluit is gezien het vorenstaande in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, alsmede met artikel 3:46 van die wet, dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering.

2.5.    Het beroep is gegrond. Aangezien het geluidaspect bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle van 10 mei 2005;

III.    gelast dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdenachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van Gemert

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

154-462.