Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200503228/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit met als data 5 september 2002 en 26 augustus 2002 hebben de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister) en de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) de beschikkingen van 16 mei 2001 en 11 mei 2001 inhoudende de rangschikking van het Landgoed "De Langenhorst" onder de Natuurschoonwet 1928 ingetrokken met ingang van 29 augustus 2001.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Algemene wet bestuursrecht 8:56
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503228/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/924 van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën.

1.    Procesverloop

Bij besluit met als data 5 september 2002 en 26 augustus 2002 hebben de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister) en de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) de beschikkingen van 16 mei 2001 en 11 mei 2001 inhoudende de rangschikking van het Landgoed "De Langenhorst" onder de Natuurschoonwet 1928 ingetrokken met ingang van 29 augustus 2001.

Bij besluit van 27 januari 2004 hebben de Minister en de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2005, verzonden op 1 maart 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2005, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 24 mei 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juli 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D. van Laren en mr. J. Kastelein, gemachtigden, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. C. Vermeulen, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

   Ingevolge artikel 8:56 van de Awb worden partijen na afloop van het onderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

   Ingevolge artikel 8:57 van de Awb kan de rechtbank, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde door haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren zonder dat zij in de gelegenheid is gesteld ter zitting haar standpunt toe te lichten en zich uit te laten over de omstandigheden op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet-ontvankelijk is.

2.2.1.    Bij brief van 1 maart 2004 hebben [partij] en appellante beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister en de Staatssecretaris van 27 januari 2004. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 juni 2004 het beroep van [partij] met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Ter zitting van 10 februari 2005 heeft de rechtbank [partij] over zijn verzet tegen die uitspraak gehoord. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Awb het beroep van appellante tegen het besluit van de Minister en de Staatssecretaris van 27 januari 2004 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft blijkens het procesverloop van deze uitspraak voormelde zitting tevens aangemerkt als het onderzoek ter zitting als bedoeld in afdeling 8.2.5 van de Awb ter zake van het beroep van appellante. Appellante noch de Minister en de Staatssecretaris zijn evenwel  uitgenodigd om op die zitting te verschijnen en blijkens het proces-verbaal van die zitting is het beroep van appellante niet aan de orde gesteld, zodat deze zitting niet kan worden aangemerkt als een zitting ter zake van het beroep van appellante.

   Nu de rechtbank de aangevallen uitspraak niet met toepassing van artikel 8:54 van de Awb heeft gedaan en is gebleken dat partijen niet met toepassing van artikel 8:56 van de Awb zijn uitgenodigd om op een zitting  te verschijnen, terwijl partijen evenmin toestemming hebben gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb, heeft de rechtbank in strijd met deze bepalingen uitspraak gedaan op het beroep van appellante.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De zaak wordt met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State teruggewezen naar de rechtbank om daar opnieuw te worden behandeld. De overige gronden van het hoger beroep behoeven thans geen bespreking.

2.4.    De Minister en de Staatssecretaris dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellante te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 februari 2005, AWB 04/924;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdentweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bepaalt dat de rechtbank 's-Gravenhage  beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit en het ministerie van Financiën, ieder voor een tweede deel) aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdenveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

164-362.