Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200502498/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Velsen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders no. 38 van 2004, het bestemmingsplan "Santpoort Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502498/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Velsen,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Velsen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders no. 38 van 2004, het bestemmingsplan "Santpoort Zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 februari 2005, kenmerk 2004-34215, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 juli 2005 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Velsen, vertegenwoordigd door drs. B. Wouda, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    Appellant voert als formeel bezwaar aan dat de wijze van kennisgeving van de terinzageleggingen ondeugdelijk is, nu ten onrechte geen kennisgevingen zijn gedaan in een huis-aan-huisblad dat wordt verspreid in Haarlem. Voorts is appellant van mening dat het rapport met de resultaten van het onderzoek naar de aanwezige flora en fauna in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet met het ontwerp-plan ter inzage is gelegd.

2.3.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Vast staat dat kennis is gegeven van de terinzagelegging van zowel het ontwerp-plan, het vastgestelde plan als het goedgekeurde plan in een huis-aan-huisblad dat uitsluitend in Santpoort Zuid wordt verspreid. Hiermee is aan de wettelijke vereisten voldaan. Dat dit blad niet wordt verspreid in Haarlem, maakt dit niet anders. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook geen reden om te oordelen dat de in de wet neergelegde procedure niet op een juiste wijze is doorlopen.

   Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het ambtshalve te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage. Naar het oordeel van de Afdeling ziet voornoemde verplichting tot terinzagelegging slechts op reeds bestaande stukken. Het door appellant bedoelde rapport dateert van 4 november 2003. Aangezien dit rapport ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-plan nog niet verschenen was, is artikel 3:11, eerste lid, van de Awb hierop niet van toepassing.

Het plan

2.4.    Het bestemmingsplan "Santpoort Zuid" (hierna: het plan) voorziet in een actualisatie van het geldende planologische regime voor de kern van Santpoort Zuid. Het plan beoogt bestaande functies te handhaven en in beperkte mate enkele nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Voor de gronden van het terrein Handgraaf is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om woningbouw mogelijk te maken.

Plangrens ten oosten van het terrein Handgraaf

Het standpunt van appellant

2.5.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan een deel van de plangrens ten oosten van het terrein Handgraaf. Hij voert hiertoe aan dat de gronden van het terrein Handgraaf waaraan de bestemmingen "Bedrijven" met de nadere aanwijzing  "opslag "  en "Wijzigingsgebied (dubbelbestemming)" zijn toegekend ten onrechte geen deel uitmaken van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "De Leck en De Bergen". Hij stelt dat het betrokken plandeel dat hetzelfde karakteristieke landschapselement betreft als het aangrenzende veenweidegebied, een agrarische bestemming dient te krijgen.

Het bestreden besluit

2.6.    Verweerder heeft dit deel van de plangrens niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Hij heeft daartoe overwogen dat het terrein Handgraaf bij de vaststelling van het streekplan Noord-Holland Zuid (hierna: het streekplan) binnen de stedelijke contour is gebracht.

De vaststelling van de feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    In het streekplan is aangegeven dat de gronden van het terrein Handgraaf vallen binnen de rode contouren van het stedelijk gebied. Deze rode contouren geven volgens het streekplan de uitbreidingsruimte aan voor verdere vormen van verstedelijking. Volgens de toelichting bij het onderhavige bestemmingsplan is de ligging van de grenzen van dit plan ingegeven door de ligging van de rode contouren zoals deze voor Santpoort Zuid zijn neergelegd in het streekplan.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Gelet op de systematiek van de WRO komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van vrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van het bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zover dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. In aanmerking genomen hetgeen is overwogen onder 2.7.1., namelijk dat de plangrenzen zijn ingegeven door de ligging van de rode contour van het streekplan, welke contour de grens aangeeft van het stedelijk gebied, is de Afdeling van oordeel dat, nu de gronden van het plangebied binnen deze contour vallen, verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van het bezwaar van appellant dat de ligging van de rode contour niet duidelijk is en dat daardoor verstening van het gehele veenweidegebied kan plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat appellant niet betwist dat de onderhavige plangrenzen binnen de rode contour vallen. Dit bezwaar kan in deze procedure derhalve niet aan de orde komen. Het beroep van appellant is in zoverre ongegrond.

Artikel 10 van de planvoorschriften

Het standpunt van appellant

2.9.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 10 van de planvoorschriften. Hij voert hiertoe aan dat, gelet op de natuur-, landschappelijke- en cultuurhistorische waarden van het gebied, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de voorziene woningbouw op het terrein Handgraaf niet in strijd is met het provinciale beleid. Appellant vreest dat de cultuurhistorische waarde van het gebied ernstig wordt verstoord door de voorziene woningbouw. Voorts stelt appellant dat verweerder ten onrechte geen acht heeft geslagen op het streekplanbeleid inzake kwelgebieden, nu het terrein Handgraaf deel uitmaakt van een kwelgebied. Appellant voert verder aan dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan heeft gehandeld in strijd met het door hem aangenomen amendement waardoor de voorziene woningen 1,2, en 3 aan de Wüstelaan te dicht op het talud kunnen worden gebouwd. Tot slot kan volgens appellant elk van de drie voorziene woningen aan de Wüstelaan als appartementencomplex worden aangewend, sluiten de woningen, vanwege onder meer het volume, niet meer aan op de andere voorziene en reeds bestaande woningen, is het uitzicht vanaf de Wüstelaan nog meer beperkt en zal de strandwal op den duur niet meer behouden blijven.

Het bestreden besluit

2.10.    Verweerder heeft overwogen dat voor de huidige caravanopslag aan de Wüstelaan (terrein Handgraaf) een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om op deze locatie woningbouw mogelijk te maken. Verweerder heeft dit onderdeel van het plan niet in strijd geacht met het recht of een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het provinciale beleid.

De vaststelling van de feiten

2.11.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.1.    Aan de gronden op het terrein Handgraaf is de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanwijzing "opslag" toegekend. Daarnaast hebben bedoelde gronden de bestemming "Wijzigingsgebied (dubbelbestemming)".

   Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de op de plankaart aangegeven gronden met de bestemming "Wijzigingsgebied (dubbelbestemming)" te wijzigen in de bestemming woondoeleinden, tuinen, erven en boserf, verkeersdoeleinden en groenvoorziening.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de bouwpercelen Handgraaf en de bouwpercelen aan de Wüstelaan. Het maximaal aantal te bouwen woningen op het gehele terrein bedraagt 11.

   Artikel 10, eerste lid, onder b, bevat de bouwvoorschriften voor de bouwpercelen aan de Wüstelaan. Het artikel, voor zover hier van belang, luidt:

- het maximaal aantal te bouwen woningen bedraagt 3;

- de woningen dienen langs het talud en in de voorgevelrooilijn van de bestaande woningen aan de Wüstelaan te worden opgericht;

- de afmetingen van de woningen bedragen maximaal 7 meter breed en 12 meter diep;

- de maximale goothoogte bedraagt 9 meter, de maximale nokhoogte bedraagt 14 meter;

- de woningen zijn toegankelijk vanaf de Wüstelaan door middel van een loopbrug.

   Artikel 10, tweede lid, behelst een beschrijving in hoofdlijnen voor het terrein Handgraaf.

Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, zullen de aan de gronden toegekende doeleinden met het plan worden nagestreefd op de wijze, zoals beschreven in het bij het bestemmingsplan behorende beeldkwaliteitsplan, met dien verstande dat:

- inrichting van de kavels en omgeving wordt getoetst aan de in het beeldkwaliteitplan opgenomen visualisatie van de verkaveling en de daarin opgenomen profieldoorsneden;

- het bestaande hoogteverschil aan de Wüstelaan in stand dient te worden gehouden;

- tussen de percelen onderling twee rijen kornoelje aangeplant dient te worden;

- aan de noordoost zijde van het terrein een sloot en een groensingel van elzen dient te worden aangelegd;

- aan de voorzijde van de woning beukenhagen dienen te worden aangeplant;

- het deel van de gronden dat niet worden uitgegeven en direct grenst aan het agrarisch gebied, dient te worden ingericht als weidegrond;

- aan de Wüstelaan een reflectie van de tegenoverliggende woningen is gewenst, woningen uit handvorm baksteen, kap met pannen en grote overstekken waarbij de detaillering hierbij dient aan te sluiten.

2.11.2.    Volgens de plantoelichting wordt bij de architectonische vormgeving van de voorziene woningen aan de Wüstelaan aansluiting gezocht bij de tegenoverliggende reeds bestaande woningen. De woning van appellant is één van deze woningen.

2.11.3.    Volgens het deskundigenbericht maakt het terrein Handgraaf visueel gezien en qua bodemstructuur deel uit van een veenweidegebied, dat als een buffer tussen Santpoort-Zuid en Haarlem ligt. Het terrein grenst volgens de stukken in het noordwesten aan de strandwal, welke op zijn beurt grenst aan de Wüstelaan. Ten noordoosten van het terrein ligt agrarisch gebied. Volgens het deskundigenbericht vertegenwoordigt de ruime openheid van het veenweidegebied in contrast met de beslotenheid van de hogere gronden van de strandwal, cultuurhistorische waarde. Dit contrast kan volgens het deskundigenbericht ook na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden ervaren. De cultuurhistorische waarden worden volgens het deskundigenbericht niet wezenlijk aangetast.

   De gronden van het terrein Handgraaf vallen, volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland, binnen de Belvédèregebieden, welke gebieden op grond van hun bijzondere cultuurhistorische en landschappelijke waarden zijn opgenomen in de Nota Belvédère van het Rijk. Het ruimtelijk beleid binnen deze gebieden is volgens het streekplan gericht op behoud en versterking van die waarden. Dit geldt zowel voor het gebied binnen de rode contour, als voor het landelijk gebied. In het streekplan is aangegeven dat in deze gebieden onder andere nieuwe kleinschalige vormen van wonen op voorhand niet onmogelijk worden gemaakt. Voorwaarde is volgens het streekplan een goede visuele en functionele inpassing in het landschap die de ruimtelijke kwaliteit en het specifieke karakter van het gebied aantoonbaar ondersteunt. Voor het Belvédèregebied Zuid-Kennemerland, waar het terrein Handgraaf onderdeel van uitmaakt, vormen onder meer de lanen en lanenstelsels alsmede het systeem van de oude duinen en strandwallen, de te behouden en te versterken waarden, aldus het streekplan.

   In het in de toelichting op het plan opgenomen beeldkwaliteitplan Handgraaf, wordt ingegaan op de landschappelijke en cultuurhistorische aspecten van het terrein Handgraaf. Verscheidene visualisaties maken deel uit van dit beeldkwaliteitplan. Visualisatie S.06 bevat de verkaveling en profieldoorsneden voor de drie voorziene woningen aan de Wüstelaan.

2.11.4.    Het terrein Handgraaf is volgens het streekplan een kwelgebied. Het provinciale beleid inzake kwelgebieden is gericht op vasthouden van het uittredende grondwater. Woningbouw en de ontwikkeling van bedrijventerreinen zijn volgens het streekplan in principe ongewenst, maar op basis van de watertoets moet duidelijk worden welke kosten en middelen gemoeid zijn met het faciliteren van dergelijke functies. Daaropvolgend wordt volgens het streekplan bepaald of de functie wenselijk is.

   In de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen waarin wordt ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf bevat een globale beschrijving van het waterhuishoudkundige systeem binnen het plangebied, waarbij onder meer het grondwateraspect aan de orde komt. In de waterparagraaf is vermeld dat sinds mei 2002 alle grondwaterwinningen in het plangebied zijn stopgezet. Deze stopzetting heeft volgens de plantoelichting geleid tot een algehele stijging van het grondwaterpeil. Om deze stijging te beperken, is volgens de toelichting op het plan in het gebied Santpoort-Zuid (waaronder het terrein Handgraaf) een grondwaterbeheerssysteem geplaatst. Tevens is in de plantoelichting aangegeven dat de woningen in verband met de droogligging op een circa 50 centimeter verhoogd plateau worden gebouwd.

2.11.5.    Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad ten aanzien van het terrein Handgraaf een amendement aangenomen. Volgens het raadsbesluit dienen bij de ontwikkeling van de locatie Handgraaf de drie woningen geprojecteerd aan de Wüstelaan dusdanig te worden terug gelegd dat het bestaande talud aan de Wüstelaan behouden blijft. In het amendement is, voor zover hier van belang, voorts bepaald dat het voornoemde doel van behoud van het talud kan worden bereikt door de voorgevelrooilijn van de drie ter plaatse voorziene woningen gelijk te leggen met de achtergevelrooilijn van de bestaande woningen.

2.11.6.    Volgens de stukken bedraagt de afstand vanaf de voet van het talud van de strandwal tot de dichtstbijzijnde gevels van de voorziene woningen aan de Wüstelaan 6 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Blijkens hetgeen is overwogen onder 2.11.4. heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en meer specifiek naar de effecten op het grondwater. Gebleken is dat met het treffen van bepaalde maatregelen geen negatieve effecten op de waterhuishouding zijn te verwachten. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij zich geheel kan verenigen met de uitgangspunten en doelstellingen van het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat verweerder geen acht heeft geslagen op het streekplanbeleid inzake kwelgebieden.

2.12.1.    Vast staat dat het gebied cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten bezit. Blijkens het streekplan worden deze waarden van het terrein Handgraaf onder meer gevormd door de lanen dan wel lanenstelsels alsmede het systeem van oude duinen en strandwallen. Uit de stukken blijkt dat de cultuurhistorische waarden van het gebied en het beleid ten aanzien van cultuurhistorie bij het opstellen van het plan zijn betrokken. De Afdeling acht van belang dat het plan, gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen), waarin onder meer het behoud van het hoogteverschil aan de Wüstelaan alsmede de aanleg van een sloot en een groensingel aan de noordoostzijde van het terrein worden genoemd, mede behoud van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals deze onder meer zijn verwoord in het streekplan, tot doelstelling heeft en dat daartoe in de planvoorschriften bepalingen zijn opgenomen die deze waarden beschermen. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij zich geheel kan verenigen met de uitgangspunten en doelstellingen van het bestemmingsplan. De Afdeling is van oordeel dat verweerder hierdoor voldoende heeft verwoord waarom de door hem en de gemeenteraad voorgestane ontwikkeling van de gronden van het terrein Handgraaf niet in strijd is met het provinciale beleid inzake het behoud van cultuurhistorische waarden. Dit laat onverlet dat het contrast tussen de openheid van het veenweidegebied en de beslotenheid van de strandwal zonder bebouwing beter tot zijn recht zou komen. Mede in aanmerking genomen dat uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een deel van het terrein daadwerkelijk bij het agrarisch gebied zal worden gevoegd, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat met het plan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden zodanig zullen worden aangetast dat verweerder hierin reden had moeten zien om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.12.2.    Gelet op de onder overweging 2.11.1. genoemde bebouwingsmogelijkheden kan, in aanmerking genomen dat appellant thans een vrij uitzicht heeft over het terrein Handgraaf, niet worden ontkend dat met de bouw van de voorziene woningen een vermindering van uitzicht zal optreden. Desondanks heeft, in aanmerking genomen enerzijds het hoogteverschil tussen de bestaande woningen aan de Wüstelaan en de gronden waarop de drie woningen zijn voorzien, en anderzijds de afstand tussen de bouwvlakken van de voorziene woningen en de woning van appellant, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de woningbouw veroorzaakte aantasting van het woon- en leefklimaat van appellant beperkt is.

   Voor zover appellant van mening is dat de drie voorziene woningen wat betreft de maximale bouwhoogte en het maximale volume niet congruent zijn met de omgeving, overweegt de Afdeling dat van belang is dat door de gemeenteraad aansluiting is gezocht bij de ruimtelijke structuur en het bebouwingspatroon van de tegenoverliggende woningen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de drie voorziene woningen aan de Wüstelaan, wat betreft de zojuist genoemde aspecten, passen binnen de bebouwingsstructuur van de omgeving. Voor zover appellant vreest dat door het ontbreken van een begripsbepaling ten aanzien van de term "woning" de bouw van een appartementencomplex mogelijk is ter plaatse van elk van de voorziene woningen, overweegt de Afdeling dat bij de uitleg van voornoemde term het feitelijk gebruik als woning bepalend is. Met een woning is gelijkgesteld elk gedeelte van een gebouw dat voor bewoning is bestemd. Nu het plan voorziet in de bouw van 3 woningen op verschillende percelen en niet voorziet in de mogelijkheid van de bouw van meerdere woningen op elk perceel, is de bouw van een appartementencomplex ter plaatse van elk van de voorziene woningen uitgesloten.

2.12.3.    Verder is de Afdeling van oordeel dat de gemeenteraad uit een oogpunt van het effectueren van zijn visie op wat een goede ruimtelijke ordening in dit geval vereist, bij de vaststelling van het plan daarin het door hem aangenomen amendement inzake het behoud van het bestaande talud diende te verwerken. Gelet op het verhandelde ter zitting en hetgeen is overwogen onder 2.11.5. strekte het amendement tot een aanpassing van het voorgestelde artikel 10 van de planvoorschriften, bijvoorbeeld door daarin op te nemen dat de voorgevelrooilijn van de voorziene drie woningen zal worden gesitueerd in het verlengde van de achtergevelrooilijn van de bestaande woningen. In artikel 10, eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften van zowel het ontwerpplan als van het plan zoals dat aan het college van gedeputeerde staten ter goedkeuring is aangeboden, is echter bepaald dat de ter plaatse voorziene woningen in de voorgevelrooilijn van de bestaande woningen aan de Wüstelaan worden opgericht. Het aan het college van gedeputeerde staten aangeboden plan bevat daarmee geen wijziging van de relevante onderdelen van artikel 10 van de planvoorschriften ten opzichte van het ontwerpplan.

2.12.4.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan op dit punt goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de WRO. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 10, eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften en voor het overige in zoverre ongegrond. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 10, eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften.

Het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de strandwal aan de Wüstelaan

Het standpunt van appellant

2.13.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de gronden gelegen tussen het terrein Handgraaf en de rijweg van de Wüstelaan. Hij voert hiertoe aan dat aan het plandeel met de bestemming "Verkeer" de bestemming "Openbaar groen" moet worden toegekend vanwege de cultuurhistorische waarde van deze groenstrook.

Het bestreden besluit

2.14.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd geacht met het recht of een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.15.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.1.    Aan de gronden tussen het terrein Handgraaf en de Wüstelaan is, evenals aan de Wüstelaan zelf, de bestemming "Verkeer" toegekend.

Volgens de stukken is het plandeel ongeveer 50 meter lang en 11 meter breed en vallen de parkeerplaatsen, de bomen tussen de parkeerplaatsen, de berm en het talud van de strandwal binnen de gronden van dit plandeel.

2.15.2.    Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden op de plankaart die zijn aangewezen voor "Verkeersdoeleinden" uitsluitend bestemd voor wegen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen, straatmeubilair, (ondergrondse) afvalvoorzieningen, groenstroken, bermen en de daarbij behorende beplantingen.

2.15.3.    Volgens de plantoelichting is aan wegen, straten en parkeervoorzieningen die structureel van aard zijn een verkeersbestemming toegekend. Bermen, groenstroken en sloten vallen eveneens binnen deze bestemming. In de plantoelichting is vermeld dat stroken groen die beeldbepalend zijn, voet- en fietspaden, voorzover vallende binnen parken, bermen en dergelijke de bestemming "Groenvoorzieningen" krijgen.

   In de reactie op de zienswijzen stelt de gemeenteraad zich op het standpunt dat, gelet op het schaalniveau en het feit dat het gaat om een bestemmingsplan dat in hoofdlijnen de bestaande situatie vastlegt, er geen reden bestaat om alle groenstroken, bermen, fiets- en voetpaden afzonderlijk te bestemmen. Volgens de gemeenteraad kan worden volstaan met een globale bestemming.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.15.1. maken groenstroken, bermen en beplantingen in het plan deel uit van de verkeersbestemming. Niet is gebleken dat de gronden ter plaatse van het plandeel niet (grotendeels) zijn beoogd voor structurele parkeervoorzieningen dan wel overige verkeersdoeleinden. Dat het talud van de strandwal eveneens binnen het plandeel ligt, maakt dit niet anders. Blijkens de stukken betreft het bovendien een bestemmingsplan dat in hoofdlijnen de bestaande situatie vastlegt en niet in detail bestemmingen toekent. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling derhalve geen aanknopingspunt voor het oordeel dat aan het plandeel de door appellant gewenste bestemming "Openbaar groen" had moeten worden toegekend.

2.16.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel. Het beroep van appellant is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.17.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 15 februari 2005, 2004-34215, voor zover het artikel 10, eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften betreft;

III.    onthoudt goedkeuring aan artikel 10, eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

178-500.