Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200508373/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) het wijzigingsplan "1e wijziging van het bestemmingsplan Buitengebied Agrarische Enclave" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/15 met annotatie van Wiggers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508373/4.

Datum uitspraak: 23 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) het wijzigingsplan "1e wijziging van het bestemmingsplan Buitengebied Agrarische Enclave" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 juli 2005, no. RE2005.30761, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 22 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 december 2005, waar verzoekers, in de persoon van [verzoeker] en bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts zijn daar namens het college ing. A.A.J. Boogmans en ing. J.P.I. IJssel de Schepper, ambtenaren van de gemeente, gehoord. Verweerder is met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Het wijzigingsplan voorziet in de wijziging van de bestemming van het perceel direct ten zuiden van [locatie] van "Agrarisch gebied" in "Bedrijven (Ba)" met de nadere aanduiding "Vervaardiging van metalen hekwerken (gesloten gebouw) (Ba 23)", om verplaatsing van het [bedrijf] (hierna: het bedrijf) naar de [locatie] te [plaats] mogelijk te maken. Het bedrijf was voorheen gevestigd aan de [locatie] te [plaats] en de [locatie] te [plaats] en is thans gevestigd in [plaats].

2.4.    Verzoekers stellen dat verweerder het wijzigingsplan ten onrechte heeft goedgekeurd, nu het plan niet voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische Enclave". Verzoekers voeren onder meer aan dat niet is gebleken dat sprake is van milieuwinst op de te verlaten locatie, geen sprake is van een bedrijf dat naar aard en invloed vergelijkbaar is met een bedrijf genoemd in de bijlage 2 en 3 "Lijst van toegelaten bedrijfstypen A en B" en dat de minicamping van [verzoekers] ten onrechte niet als geluidgevoelig object is aangemerkt. Teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen, hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft overwogen dat het plan voldoet aan de gestelde wijzigingsvoorwaarden.

2.6.    [verzoekers] wonen aan de [locatie], direct ten noorden van het plangebied, en exploiteren een minicamping met 15 kampeerplaatsen op hun gronden. [verzoeker] woont tegenover het plangebied, aan de [locatie].

Milieuwinst

2.7.    Volgens verzoekers is niet gebleken dat door de bedrijfsverplaatsing sprake is van milieuwinst op de te verlaten locatie, noch dat de winst zo groot is dat deze opweegt tegen de verslechtering die optreedt op de nieuwe locatie.

2.8.    In artikel 5, veertiende lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische Enclave" is onder meer bepaald dat het college bij de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid "vestigingsgebied niet-agrarische bedrijven" het bepaalde in artikel 4 (Beschrijving in hoofdlijnen) van de planvoorschriften in acht moet nemen.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zal in geval van vestiging van niet-agrarische bedrijven vanwege verplaatsing elders uit de Agrarische Enclave, dienen te worden vastgesteld dat de activiteiten die zullen plaatsvinden in de te bouwen bedrijfsbebouwing toelaatbaar zullen zijn op deze locatie mede vanwege de milieuwinst die wordt behaald ten opzichte van hun gevolgen voor het milieu in de te verlaten locatie.

2.9.    Volgens het college is sprake van milieuwinst op de [locatie], aangezien het bedrijf aldaar was gevestigd temidden van woningen en een aanzienlijk deel van de activiteiten buiten plaatsvond, terwijl op de nieuwe locatie de productiewerkzaamheden en de opslag van materialen binnen kunnen plaatsvinden. Het college heeft voorts ter zitting verklaard dat overleg gaande is met de eigenaren van de [percelen] en [locatie] over een wijziging van de bestemming van de desbetreffende percelen.

2.10.    Uit voormelde wijzigingsvoorwaarde volgt dat sprake dient te zijn van milieuwinst op de te verlaten locatie. Daargelaten de vraag welke van de twee genoemde locaties moet worden aangemerkt als "te verlaten locatie", nu de bestemming van de te verlaten locaties niet is gewijzigd en derhalve niet is uitgesloten dat zich ter plaatse een ander bedrijf met een vergelijkbare milieubelasting kan vestigen, betwijfelt de Voorzitter of het plan voldoet aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van milieuwinst op de te verlaten locatie. Daarmee kan de vraag of sprake is van de vestiging van een nieuw niet-agrarisch bedrijf in de Agrarische Enclave, dan wel van een bedrijfsverplaatsing elders uit de Agrarische Enclave naar het oordeel van de Voorzitter thans buiten beschouwing blijven en, zo nodig, in het kader van de behandeling van de bodemprocedure aan de orde komen.

Naar aard en invloed vergelijkbaar bedrijf

2.11.    Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte met het college van mening is dat het bedrijf naar aard en invloed vergelijkbaar is met een bedrijf genoemd in de bijlage 2 en 3 "Lijst van toegelaten bedrijfstypen A en B" als bedoeld in de wijzigingsvoorwaarden. Zij zijn van mening dat het bedrijf een categorie 4 bedrijf is, omdat in het onderhavige geval geen sprake is van een gesloten gebouw, aangezien een deel van de activiteiten buiten plaats vindt en de roldeuren 4 respectievelijk 6 uur per dag geopend zullen zijn. Bovendien blijkt volgens verzoekers uit het door hen aangevraagde akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., dat het akoestische onderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan gebreken vertoont en dat het bedrijf niet vergelijkbaar is met een van de toegelaten bedrijfstypen.

2.12.    Verweerder is met het college van mening dat het bedrijf naar aard en invloed vergelijkbaar is met een categorie 2 bedrijf. Daartoe heeft het college als volgt overwogen. Voor de aspecten geur, stof en veiligheid geldt volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Verenging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) een minimale afstand van 30 meter. Dit komt overeen met de vereisten voor een categorie 2 bedrijf. Voor het aspect geluid geldt een afstand van 100 meter maar, gelet op het omgevingstype "gemengd gebied", mag die afstand volgens het college worden gecorrigeerd tot 50 meter. Omdat de afstand tot de woonhuizen minder dan 50 meter bedraagt, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt voldaan. Daarmee is volgens verweerder, in navolging van het college, een afwijking van de minimale afstand van 50 meter in dit geval aanvaardbaar.

2.13.    Ingevolge artikel 5, veertiende lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch gebied" te wijzigen in de bestemming "Bedrijven" met dien verstande dat het bedrijven betreft die genoemd zijn in de bijlage 2 en 3 "Lijst van toegelaten bedrijfstypen A en B", dan wel bedrijven die daarmee naar hun aard en invloed vergelijkbaar zijn.

2.13.1.    De afstand van de grens van het bedrijfsperceel tot de woning van [verzoekers] bedraagt ongeveer 22,5 meter en de afstand tot de woning van [verzoeker] bedraagt ongeveer 60 meter. De mini-camping bevindt zich op het perceel van [verzoekers], dat direct grenst aan het bedrijfsperceel.

   Het bedrijf vervaardigt metalen hekwerken en behoort volgens de VNG-brochure tot het bedrijfstype "Vervaardiging van producten van metaal, constructiewerkplaatsen (gesloten gebouw)", milieucategorie 3, waarbij voor de aspecten geur, stof en veiligheid een minimale afstand van 30 meter geldt en voor het aspect geluid een minimale afstand van 100 meter.

2.14.    De bedrijvenlijsten 2 en 3 in het bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische Enclave" zijn afgeleid van de VNG-brochure en bevatten uitsluitend bedrijfstypen die behoren tot milieucategorie 1 en 2. Gelet hierop volgt uit de wijzigingsvoorwaarden dat in het plangebied uitsluitend bedrijfstypen zijn toegelaten die behoren tot milieucategorie 1 of 2 dan wel bedrijven die daarmee naar aard en invloed vergelijkbaar zijn. Voor deze categorieën gelden minimaal aan te houden afstanden tussen bedrijfspercelen en woningen van respectievelijk 10 en 30 meter.

   De Voorzitter stelt vast dat, gelet op de stukken, in het bijzonder het deskundigenrapport dat door verzoekers is overgelegd, en het verhandelde ter zitting, twijfel is ontstaan of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een bedrijf dat naar aard en invloed vergelijkbaar is met een bedrijf genoemd in de bijlage 2 en 3 "Lijst van toegelaten bedrijfstypen A en B". De Voorzitter hecht daarbij grote betekenis aan de geringe afstand tussen de woning van [verzoekers] en het bedrijfsperceel en de aanzienlijke afwijking van de afstand genoemd in de VNG-brochure voor het bedrijf ten aanzien van het aspect geluid. De Voorzitter acht daarom nader onderzoek noodzakelijk, waarvoor deze procedure zich niet leent.

Minicamping

2.15.    Verder voeren verzoekers aan dat verweerder ten onrechte met het college van oordeel is dat de minicamping geen geluidgevoelig object is, waardoor hun belangen onvoldoende in de beoordeling zijn betrokken.

2.16.    Verweerder heeft zich met het college op het standpunt gesteld dat de minicamping volgens de milieuregelgeving niet als milieugevoelig kan worden beschouwd. Daarnaast kan hij zich vinden in het standpunt van het college dat niet aannemelijk is dat recreanten zodanig veel hinder ondervinden van de bedrijfsvestiging dat recreëren onmogelijk zal worden. Daartoe wordt verwezen naar de inpasbaarheid van het bedrijf, een houtwal tussen beide percelen en de feitelijke afstand van 15 meter tussen het bedrijfsperceel en de kampeermiddelen.

2.17.    De omstandigheid dat een minicamping niet geluidsgevoelig is in de zin van de Wet geluidhinder, doet er niet aan af dat een minicamping in het kader van de beoordeling van een bestemmingsplan wel als geluidsgevoelig kan worden aangemerkt. Gelet op de geringe afstand van de minicamping tot het bedrijfsperceel, betwijfelt de Voorzitter of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat recreanten zodanig veel hinder ondervinden van de bedrijfsvestiging, dat recreëren onmogelijk zal worden. De Voorzitter acht ook op dit punt nader onderzoek noodzakelijk zodat de naar voren gebrachte bezwaren op dit punt zorgvuldig kunnen worden beoordeeld. Daarvoor leent de bodemprocedure zich meer dan de thans aan de orde zijnde procedure.

Conclusie

2.18.    In verband met het voorgaande ziet de Voorzitter, gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, aanleiding het verzoek toe te wijzen. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van verzoekers geen bespreking meer.

2.19.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 12 juli 2005, nr. RE2005.30761;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 844,00 (zegge: achthonderdvierenveertig euro), waarvan een bedrag van €644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Van Dorst

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2005

357-432.