Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200502748/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2004091, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor het verwerken van polyester, gevestigd op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Genemuiden, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 17 februari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502748/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2004091, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor het verwerken van polyester, gevestigd op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Genemuiden, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 17 februari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 september 2005 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2005, waar geen van de partijen is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het Besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellant stelt geurhinder te ondervinden. Ook vreest hij dat de bij de activiteiten van de inrichting vrijkomende lucht schadelijk is voor zijn gezondheid. Verder stelt hij dat het bij de aanvraag om vergunning behorende geuronderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs B.V. van 6 augustus 2004, kenmerk 2003.1594-1, niet representatief is.

2.3.1.    Verweerder heeft zich naar aanleiding van het deskundigenbericht bij nader inzien op het standpunt gesteld dat hij op verscheidene punten in de vergunning ten onrechte van andere gegevens is uitgegaan dan is aangevraagd. Hij stelt dat gelet hierop de vergunning niet in stand kan blijven.

2.3.2.    De Afdeling constateert vooreerst, mede gelet op het deskundigenbericht, dat de aanvraag op verscheidene punten tegenstrijdig is. Zo wordt volgens bijlage 3 van de aanvraag 65 ton LSE-polyesterhars verbruikt en 13,5 ton gelcoat. Het geurrapport gaat uit van een verbruik van 100 ton LSE-polyesterhars en 17,5 ton gelcoat. Ook verschillen bijlage 3 van de aanvraag en het geurrapport wat betreft de totale styreenvracht per uur op jaarbasis. Daarnaast is in het geurrapport uitgegaan van twee emissiepunten, terwijl uit de bij de aanvraag behorende tekening van 22 juni 2004, bladnummer WM-02, wordt vermeld dat sprake is van drie afzuigwanden. Tevens wijkt het aantal in bijlage 3 van de aanvraag vermelde productie-uren af van de productie-uren uit het geurrapport. Zo gaat bijlage 3 uit van 1.600 productie-uren bij veertig werkweken op jaarbasis en het geurrapport van 3.640 uur productie-uren op jaarbasis bij zeventig uren per week.

   Daarnaast constateert de Afdeling dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.11 uitsluitend het verwerken van LSE-polyesterhars is vergund en niet het verwerken van gelcoat, terwijl dat wel is aangevraagd en blijkens de stukken het verwerken van gelcoat van essentieel belang is voor de bedrijfsvoering.

   Ten aanzien van de emissies naar de lucht wordt het volgende overwogen. Blijkens de overgelegde stukken vinden vanuit de inrichting emissies naar de lucht plaats van diverse overige vluchtige organische stoffen, waaronder styreen en aceton. Voor de beoordeling van het aspect emissies naar de lucht heeft verweerder de algemene eisen uit paragraaf 2.3 van de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht van 2003 (hierna: de NeR) gehanteerd. Blijkens de stukken vallen overige vluchtige organische stoffen in dit geval onder klasse g02 van de NeR. Hiervoor geldt bij een emissievracht van 0,5 kilogram per uur of meer een emissie-eis van 50 mg/mo3. Bij het bepalen van de emissievracht worden blijkens de systematiek van de NeR alle emissiestromen van een bepaalde chemische stof of groep van stoffen opgeteld. Dit is geregeld in de sommatiebepaling. Dit houdt in dat voor gelijktijdige emissies van verschillende stoffen binnen eenzelfde klasse - waarvan in dit geval sprake is - de massastroom wordt gesommeerd over alle bronnen binnen de inrichting.

   De Afdeling stelt vast, mede gelet op het deskundigenbericht, dat in het bestreden besluit een deel van de hier geëmitteerde overige vluchtige organische stoffen niet zijn meegenomen in de sommatiebepaling. Verder ontbreekt in het bestreden besluit een grenswaarde voor de emissie van aceton dat vrijkomt bij activiteiten, niet zijnde schilderwerkzaamheden. Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming van onaanvaardbare emissies naar de lucht.

   Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat vereist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart en het rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. Gelet hierop en mede gelet op het standpunt van verweerder komt het gehele besluit voor vernietiging in aanmerking.

2.4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland van 8 februari 2005, 2004091;

III.    gelast dat de gemeente Zwartewaterland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: één honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Heijde

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

349-414.