Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200501681/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2004, verzonden 29 juni 2004, kenmerk 2004-15635, heeft verweerder ten aanzien van de locatie Wagengouw 32/ Westveer te Broek in Waterland, kadastraal bekend gemeente Broek in Waterland, sectie C, nummers 1243 en 1514 (ged.) de ernst en urgentie daarvan vastgesteld, alsmede ingestemd met het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "HSB Vastgoed Holding B.V." ingediende saneringsplan van 23 maart 2004 met kenmerk 20031115.

Wetsverwijzingen
Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501681/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2004, verzonden 29 juni 2004, kenmerk 2004-15635, heeft verweerder ten aanzien van de locatie Wagengouw 32/ Westveer te Broek in Waterland, kadastraal bekend gemeente Broek in Waterland, sectie C, nummers 1243 en 1514 (ged.) de ernst en urgentie daarvan vastgesteld, alsmede ingestemd met het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "HSB Vastgoed Holding B.V." ingediende saneringsplan van 23 maart 2004 met kenmerk 20031115.

Bij besluit van 25 januari 2005, kenmerk 2004-50209, verzonden op 27 januari 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2005, beroep ingesteld. De gronden van dit beroep zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2005.

Bij brief van 8 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 september 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. R.M. Fieten, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door K.J.T.M. Hehenkamp, ing. J.S. Rem en mr. T.P.P. Paas, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    De Afdeling begrijpt het beroep van appellant, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, aldus dat hij van mening is dat verweerder de omvang van het geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming ten onrechte heeft beperkt tot de voormalige opslagplaats en de daarvan ten westen gelegen smalle strook grond. Eveneens had onderzoek gedaan moeten worden naar de oever en waterbodem van de sloot gelegen ten oosten van de opslagplaats, aldus appellant.

2.2.1.    Ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.

2.2.2.    HSB Vastgoed Holding B.V. heeft op 29 maart 2004 melding gedaan van haar voornemen om de bodem van de locatie kadastraal bekend gemeente Broek in Waterland, sectie C, nummers 1243 en 1514 (ged.) te saneren. Deze te saneren locatie betreft een voormalige opslagplaats van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en een smalle strook die in eigendom is van de gemeente Broek in Waterland. De opslagplaats is onder meer in gebruik geweest voor de opslag van puin, asfalt, zout, grond, steen, grind en vaten teer met bitumen. Daarnaast zijn op de noordoostzijde van de desbetreffende locatie een koudasfaltmolen en een olietank in werking geweest. Op de gehele locatie is een puinverharding aanwezig. De totale oppervlakte van beide percelen bedraagt volgens de melding 4.800 m2. Op de te saneren locatie zijn woningen geprojecteerd.

   Bij de gedane melding zijn naast het saneringsplan een drietal rapporten gevoegd. Het betreft het eindrapport "Saneringsonderzoek Wagengouw-west te Broek in Waterland" uit maart 1991 van Grontmij N.V. met kenmerk doc. 0861.BWT/BS, het rapport "Nader onderzoek (globale kostenraming sanering) Wagengouw Broek in Waterland" van 6 oktober 1998 van Lankelma Milieu B.V. met kenmerk 98.081-3 en het rapport "Actualiserend bodemonderzoek Veenderijvaart te Broek in Waterland" van 24 februari 2004 van BK Ingenieurs Velserbroek B.V." met kenmerk 20031115. Uit deze rapporten volgt dat de bodem tot boven de interventiewaarde is verontreinigd met concentraties polycyclische koolwaterstoffen (hierna: PAK) en de zware metalen lood, cadmium, zink en nikkel alsmede met asbest. Tevens is de locatie licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater onder deze locatie is plaatselijk licht verontreinigd met arseen, naftaleen, fenol, cresolen en enkele componenten waaruit de som (10) van PAK is samengesteld. De omvang van het geval van verontreiniging in verticale zin is in die rapporten bepaald op een diepte tussen anderhalf tot drie meter onder maaiveld. In horizontale zin is het geval van verontreiniging gelijk gesteld aan de beide eerdergenoemde percelen. Echter onderzoek naar het geval van verontreiniging in horizontale zin heeft blijkens de desbetreffende rapporten niet plaatsgevonden.

   Verweerder is op die rapporten afgegaan en heeft zich als gevolg daarvan niet van de precieze omvang van het geval van verontreiniging als bedoeld in de zin artikel 1 van de Wet bodembescherming vergewist. Dit wringt des te meer, nu de verontreiniging van het slib in de ten oosten van de desbetreffende locatie gelegen sloot volgens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting naar haar aard overeenkomsten vertoont met die van de op de beide percelen aangetroffen verontreiniging.

   Gelet op het vorenoverwogene, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

   Deze beroepsgrond treft doel.

2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen appellant overigens in zijn beroep heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen verdere bespreking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 25 januari 2005, kenmerk 2004-50209;

III.    draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 664,87 (zegge: zeshonderdvierenzestig euro en zevenentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Drouen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

375.