Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200503090/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landerd (hierna: het college) appellante, onder oplegging van een dwangsom, aangeschreven alle in afwijking van de op 19 juni 2001 verleende bouwvergunning aangebrachte bouwkundige wijzigingen in haar deel van pand op het perceel [locatie] te ]plaats], gemeente Landerd (hierna: het perceel), ongedaan te maken, de voorzieningen welke ten behoeve van het gebruik als zelfstandige woning in haar deel van het pand zijn aangebracht te verwijderen en verwijderd te houden en de zelfstandige bewoning van haar deel van het pand te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503090/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Landerd,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/852 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 22 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Landerd.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landerd (hierna: het college) appellante, onder oplegging van een dwangsom, aangeschreven alle in afwijking van de op 19 juni 2001 verleende bouwvergunning aangebrachte bouwkundige wijzigingen in haar deel van pand op het perceel [locatie] te ]plaats], gemeente Landerd (hierna: het perceel), ongedaan te maken, de voorzieningen welke ten behoeve van het gebruik als zelfstandige woning in haar deel van het pand zijn aangebracht te verwijderen en verwijderd te houden en de zelfstandige bewoning van haar deel van het pand te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 30 januari 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2005, verzonden op 23 februari 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 4 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door T.P.L. Pijnappels, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden (Alca)".

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen bouwwerken, welke bestaan op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning dan wel een gedane melding als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet en die afwijken van dat plan, op voorwaarde dat de bestaande afwijking van het plan, ook in kwalitatieve zin, niet wordt vergroot en, behoudens onteigening, na calamiteit worden herbouwd, mits de betreffende bouwvergunning binnen twee jaren na de datum van de calamiteit bij burgemeester en wethouders is aangevraagd dan wel de melding als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet binnen twee jaren na de datum van de calamiteit bij burgemeester en wethouders is aangevraagd.

   Ingevolge artikel 23, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften geldt het in artikel 24 en 25 bepaalde met betrekking tot ander gebruik van de gronden dan bouwen en het gebruik van opstallen niet voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen.

   Ingevolge artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften is het verboden het met het plan strijdige gebruik van de gronden en opstallen te wijzigen, tenzij door wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

   Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

2.2.    Op 19 juni 2001 is bouwvergunning verleend voor de (her)bouw van één woning op het perceel. De last onder dwangsom betreft het achtergedeelte van de woning waarin een aantal woonvoorzieningen zijn aangebracht. Dit gedeelte wordt bewoond door appellante, het voorgedeelte van de woning wordt bewoond door een derde.

2.2.1.    Vast staat dat appellante heeft gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning. In het vergunde bouwplan was op de begane grond voorzien in een opslagruimte, een berging en een meditatie- fitnessruimte, op de eerste verdieping was voorzien in een zolderruimte. Voornoemde ruimtes zijn niet gerealiseerd. Wel is in dat deel van het bouwplan separaat gerealiseerd een toegangsdeur, een meterkast, sanitaire voorzieningen, een keuken, een woonkamer en slaapkamers. Nu gebouwd is in afwijking van de verleende vergunning is het college derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.3.    Appellante stelt dat er geen sprake is van zelfstandige bewoning maar slechts van een inwoningsituatie. Dit betoog kan niet slagen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat gelet op het voorzieningenniveau in appellantes deel van het pand, er feitelijk sprake is van twee aparte wooneenheden in het pand.

2.3.1.    Ten tijde van het onherroepelijk worden van het vigerende bestemmingsplan op 7 juli 2000 mocht het reeds bestaande strijdige gebruik, het gebruik van het pand als één burgerwoning, op grond van artikel 23, tweede lid onder a, van de planvoorschriften worden voortgezet. Echter de in dit gebruik gelegen afwijking van het plan mag op grond van

artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften niet worden vergroot. De zelfstandige bewoning van een deel van het pand door appellante is na het onherroepelijk worden van het vigerende bestemmingsplan aangevangen. Hiermee wordt het afwijkende gebruik vergroot. Het college was dan ook bevoegd handhavend op te treden wegens strijdig gebruik.

2.3.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Het betoog van appellante dat gezien het provinciale beleid sprake is van een concreet uitzicht op legalisatie, faalt. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was er nog geen (voor)ontwerp van dit provinciale beleid vastgesteld. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het uitzicht op legalisatie onvoldoende concreet was.

2.4.1.    Ook de in voorbereiding zijnde herziening van het bestemmingsplan kan niet worden aangemerkt als zodanig, nu het college gemotiveerd heeft aangegeven de huidige situatie (dubbele bewoning) niet positief te zullen bestemmen.

2.5.    Voorts kan appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel treffen. Voor het pand [locatie] is reeds in 1999 een bouw-/ splitsingsvergunning verleend, derhalve in de periode vóór het thans gevoerde aangescherpte beleid inzake woningsplitsingen. Ook het pand [locatie a] betreft naar het oordeel van de Afdeling geen rechtens vergelijkbaar geval. Hiervoor is een bouwvergunning verleend en het betreft een waardevolle boerderij als bedoeld in de planvoorschriften en geen nieuwbouw, zoals in het geval van appellante.

2.6.    Aan uitlatingen van een oud-wethouder kan appellante niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat het college zou instemmen met de thans gecreëerde situatie. Er is voor het perceel, na het gesprek met de wethouder, bouwvergunning gevraagd en verleend voor slechts één woning. Voorts is, van gemeentewege, consequent en herhaalde malen aangegeven dat een woningsplitsing niet zal worden toegestaan. Ook na het gesprek met de wethouder is door het college onder meer bij brief van 5 juli 2001 uitdrukkelijk aangegeven dat bewoning door meer dan één gezin, waarbij geen sprake is van inwoning, niet is toegestaan

2.7.    Tot slot kunnen ook de door appellante gestelde fouten van het college bij eerdere aanvragen om woningsplitsing, wat hier ook van zij, niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Deze afwijzingen staan rechtens vast. Indien ten onrechte vergunning is geweigerd had het op de weg van de aanvrager gelegen dit door middel van de bezwaar- en beroepsprocedure aan te vechten.

In hetgeen appellante betoogt, wordt dan ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college op grond van bijzondere omstandigheden gehouden was van handhaving af te zien.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

328-503.