Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
200505353/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) de aan appellant verleende ontheffing voor kleinschalig kamperen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de ontheffing) ingetrokken voor de jaren 2004 en 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505353/1.

Datum uitspraak: 28 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Veere,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/571 van de rechtbank Middelburg van 10 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) de aan appellant verleende ontheffing voor kleinschalig kamperen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de ontheffing) ingetrokken voor de jaren 2004 en 2005.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M. Dekker en mr. J.C. Waverijn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders van het verbod, bedoeld in het eerste lid, vrijstelling of ontheffing verlenen voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

   Ingevolge het derde lid, kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, voor door hen per kalenderjaar vast te stellen korte perioden, het aantal toe te laten kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wor, voorzover thans van belang, verbinden burgemeester en wethouders aan een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen.

   Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Wor, voorzover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, intrekken indien blijkt dat de beperkingen of de voorschriften gesteld krachtens artikel 11 niet of niet behoorlijk worden nageleefd.

2.2.    Het college heeft appellant bij besluit van 6 december 2001 een ontheffing verleend als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wor, voor het houden van een kampeerterrein ten behoeve van het plaatsen van tien kampeermiddelen voor de periode van 15 maart tot

1 november gedurende de jaren 2002 tot en met 2006, alsmede een ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wor, voor het plaatsen van nog eens vijf toeristische kampeermiddelen gedurende jaarlijks door het college aan te wijzen perioden in de jaren 2002 tot en met 2006. Het college heeft besloten tot intrekking van die ontheffing, welke intrekking het bij besluit van 22 juni 2004 heeft gehandhaafd, omdat appellant in 2003 herhaaldelijk meer dan het toegestane aantal kampeermiddelen heeft toegelaten op het kampeerterrein en de in verband met soortgelijke overtredingen in het verleden aan appellant opgelegde dwangsommen geen effect hebben gesorteerd.

2.3.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid de ontheffing kon intrekken. Hij betoogt dat een aanzienlijk deel van de processen-verbaal van bevindingen over het jaar 2003 waarop het besluit van 5 april 2004 is gebaseerd ondeugdelijk is. Daartoe heeft hij gewezen op het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 april 2005, waarin hij is vrijgesproken van tien van de vierendertig hem over het jaar 2003 ten laste gelegde overtredingen van het verbod om zonder daartoe strekkende vergunning meer kampeermiddelen aanwezig te hebben dan toegestaan. Gelet op die gedeeltelijke vrijspraak is de intrekking van de ontheffing voor twee jaren volgens appellant disproportioneel. Appellant heeft verder aangevoerd dat die intrekking in strijd is met het sanctiebeleid van het college inzake minicampinghouders, waarover hij bij brief van 3 maart 2003 is geïnformeerd. Uit het daarin neergelegde uitgangspunt dat "herhaling en/of voortduring van de overtreding in hetzelfde of het daarop volgende jaar tot gevolg kan hebben dat de ontheffing geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken", volgt in de visie van appellant dat de ontheffing niet voor meerdere jaren kan worden ingetrokken.

Tenslotte heeft hij aangevoerd dat de rechtbank in een uitspraak van 10 mei 2005 heeft geoordeeld dat de buitenstalling van appellant voor caravans en boten onder het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan valt, zodat het beëindigen van die buitenstalling gecompenseerd mag worden door het plaatsen van kampeermiddelen op het kampeerterrein.

2.4.    Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant, nadat het college hem laatstelijk bij besluit van 4 juli 2003 onder oplegging van een dwangsom heeft gelast teveel geplaatste kampeermiddelen van het kampeerterrein te verwijderen, opnieuw met grote regelmaat meer kampeermiddelen op zijn terrein heeft toegelaten dan toegestaan. Dat het Gerechtshof blijkens zijn arrest niet alle appellant tegengeworpen overschrijdingen van het toegestane aantal kampeermiddelen strafrechtelijk bewezen heeft geacht, doet hieraan niet af. Daargelaten dat aan een strafrechtelijk vonnis strekkende tot vrijspraak niet zonder meer doorslaggevende betekenis toekomt in een bestuursrechtelijke procedure, heeft het Gerechtshof het overgrote deel van de overtredingen, die ook aan de onderhavige intrekking ten grondslag zijn gelegd, wel bewezen geacht.

   Appellant gaat er voorts ten onrechte van uit dat voor het plaatsen van meer kampeermiddelen dan volgens de ontheffing is toegestaan, een rechtvaardiging kan worden gevonden in de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2005 in zaak no. Awb 04/615, waarin zij heeft geoordeeld dat de buitenstalling die appellant gebruikt voor de stalling van caravans en boten onder het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan valt en derhalve mocht worden voortgezet. Deze planologische procedure staat geheel los van hetgeen ingevolge de Wor is toegelaten op de minicamping van appellant. Dat het gemeentebestuur mogelijk ten onrechte heeft besloten dat de buitenstalling moest worden verwijderd, geeft appellant niet het recht die verwijdering eenzijdig te compenseren door het plaatsen van additionele kampeermiddelen op zijn kampeerterrein.

2.5.    Nu vaststaat dat appellant heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8 van de Wor, was het college bevoegd terzake handhavend op te treden en de ontheffing in te trekken.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Vaststaat dat het terrein van appellant in het vigerende bestemmingsplan niet uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen, zodat geen vergunning ingevolge de Wor kan worden verleend voor meer dan vijftien kampeermiddelen en derhalve geen zicht op legalisering bestaat.

   Anders dan appellant betoogt, volgt uit het terzake gevoerde beleid niet dat de ontheffing slechts voor een jaar kan worden ingetrokken. De Afdeling deelt de opvatting van het college dat de meest voor de hand liggende uitleg van de door appellant aangehaalde passage uit het beleid is dat, indien sprake is van volharding in overtredingen in hetzelfde of het daarop volgende jaar, het college kan besluiten tot intrekking van de ontheffing voor de gehele resterende looptijd van de ontheffing of een deel daarvan.

   Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat hij onevenredig is bestraft omdat hij in de strafrechtelijke procedure die heeft geleid tot meergenoemd arrest van het Hof is vrijgesproken van een aantal overtredingen die het college aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de intrekking van de ontheffing niet een punitieve sanctie, maar een maatregel gericht op herstel van de situatie die in overeenstemming is met de Wor en de op grond van de Wor aan appellant verleende ontheffing. Derhalve behoeft het exacte aantal malen dat de wet is overtreden niet van doorslaggevend belang te zijn voor de duur van de intrekking. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college op grond van het grote aantal geconstateerde overschrijdingen van het toegelaten aantal kampeermiddelen in 2003, en de omstandigheid dat aan appellant in verband met eerder geconstateerde overtredingen opgelegde en verbeurde dwangsommen er niet toe hebben geleid dat hij verdere overtredingen achterwege liet, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot intrekking van de ontheffing voor de jaren 2004 en 2005.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005

306-450.