Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200505726/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder aan appellante sub 1 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een machinefabriek op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505726/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder aan appellante sub 1 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een machinefabriek op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 30 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellante sub 2 bij brief van 30 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 29 juli 2005.

Bij brief van 16 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2005, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door ing. J.B. Levels-Vermeer, [gemachtigde] en ing. C. Bogerd, appellante sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen en ing. V. Kartak, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Bij wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), in werking getreden op 1 december 2005, is de Wet milieubeheer gewijzigd. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.2.    Appellante sub 1 heeft ter zitting de grond inzake het opstellen van een tweede ontwerpbesluit ingetrokken.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante sub 1 voert aan dat de aangevraagde werktijden niet overeenkomen met de vergunde werktijden. Naar haar mening heeft verweerder de aangevraagde kantoor- en productiewerktijden ten onrechte beperkt. Volgens appellante sub 1 zijn langere werktijden noodzakelijk voor het voortbestaan van haar bedrijf en behoeft tijdens de werktijden zoals die in de aanvraag zijn vermeld niet voor onaanvaardbare geluidhinder te worden gevreesd.

2.4.1.    In de aanvraag is vermeld dat de werktijden voor het kantoor en de productie lopen van maandag tot en met zaterdag van 5.00 uur tot en met 24.00 uur.

   Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.1 mogen de kantoorwerkzaamheden plaatsvinden van maandag tot en met zaterdag van 7.00 tot en met 24.00 uur, en de productiewerkzaamheden (overige metaalbewerkingsactiviteiten) vier maal per week van 7.00 uur tot 19.00 uur, en twee maal per week van 7.00 uur tot 21.30 uur (niet op zon- en feestdagen).

2.4.2.    Verweerder heeft betoogd dat hij de beperking aan de bedrijfstijden heeft gesteld omdat uit informatie van appellante sub 1 bleek dat zij deze tijden nog niet nodig heeft. Hij verwijst in dit verband naar telefonisch contact met appellante sub 1, waaruit bleek dat de aangevraagde werktijden zien op toekomstige ontwikkelingen en dat bedoeld was om daarvoor geluidruimte te reserveren. Verder bleek uit dit contact dat slechts twee maal per week tot 21.30 uur wordt gewerkt. Voorts zullen volgens verweerder vooralsnog geen kantoor- of werkzaamheden plaatsvinden tussen 5.00 uur en 7.00 uur.

2.4.3.    Verweerder heeft verklaard dat hij het telefoongesprek niet heeft aangemerkt als een wijziging van of een aanvulling op de aanvraag. Ook overigens is niet gebleken dat appellante sub 1 bedoeld heeft de aanvraag te wijzigen. Verweerder diende dan ook te beslissen op de aanvraag zoals die was ingediend en te beoordelen of het in het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is dat - met uitzondering van de continu werkende lasersnijmachine en de twee werkdagen waarop tot 21.30 kan worden gewerkt - de inrichting tussen 19.00 en 24.00 uur en tussen 5.00 en 7.00 uur van maandag tot en met zaterdag niet in werking is. Het bestreden besluit noch het verhandelde ter zitting geeft er blijk van dat verweerder deze beoordeling heeft gemaakt. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    Appellante sub 2 heeft in haar beroepschrift gronden naar voren gebracht die betrekking hebben op de weerlegging van de bedenkingen in de considerans van het bestreden besluit. Appellante sub 2 heeft in het beroepschrift noch ter zitting onderbouwd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is ongegrond.

2.6.    Het beroep van appellante sub 1 is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift 3.1.1 betreft, voorzover daarin is bepaald dat - met uitzondering van de lasersnijmachine en de twee werkdagen waarop tot 21.30 uur mag worden gewerkt - de inrichting van maandag tot en met zaterdag niet in werking mag zijn van 5.00 tot 7.00 uur en van 19.00 tot 24.00 uur. Het beroep van appellante sub 2 is ongegrond.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellante sub 1 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Milieudienst West-Holland van 17 mei 2005, kenmerk 1911/03, voorzover het voorschrift 3.1.1 betreft, voorzover daarin is bepaald dat - met uitzondering van de lasersnijmachine en de twee werkdagen waarop tot 21.30 uur mag worden gewerkt - de inrichting van maandag tot en met zaterdag niet in werking mag zijn van 5.00 tot 7.00 uur en van 19.00 tot 24.00 uur.;

III.    verklaart het beroep van appellante sub 2 ongegrond;

IV.    veroordeelt de Milieudienst West-Holland tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 351,53 (zegge: driehonderdeenenvijftig euro en drieënvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de milieudienst West-Holland aan appellante sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de milieudienst West-Holland aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van Helvoort

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

361.