Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200502564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2004, het bestemmingsplan "Aalst dorp 1988, partiele herziening 2002" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502564/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2004, het bestemmingsplan "Aalst dorp 1988, partiele herziening 2002" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 januari 2005, no. RE2004.65627, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 april 2005.

Bij brief van 19 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door J.H. Hartman, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Waterval, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Zaltbommel, vertegenwoordigd door F.H.P. Mellink, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.1.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formeel bezwaar

2.2.    Appellant voert als formeel bezwaar aan dat hij geen verslag van de door verweerder gehouden hoorzitting heeft ontvangen. Voorts stelt hij dat zijn bij die gelegenheid naar voren gebrachte argumenten en vragen ten onrechte niet in het bestreden besluit zijn besproken en dat in het bestreden besluit ten onrechte enkel is verwezen naar de weerlegging van de zienswijzen door de gemeenteraad.

2.2.1.    De verslaglegging van de hoorzitting dient ter ondersteuning van de besluitvorming in het college van gedeputeerde staten. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen bepaling aan te wijzen, op grond waarvan het college van gedeputeerde staten de verplichting heeft het verslag van de hoorzitting toe te zenden aan degenen die bedenkingen hebben ingediend. Voorts is ter zitting gebleken dat appellant het verslag evenmin heeft opgevraagd.

Verder verzet artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen dat bedenkingen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van verweerder niet voldoende is gemotiveerd. Ook overigens is niet aannemelijk dat appellant door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Voorts is in het bestreden besluit "in de eerste plaats" aangesloten bij de weerlegging van de zienswijzen van de raad, zoals geformuleerd in het raadsvoorstel van het college van burgemeester en wethouders. Verweerder heeft daarnaast evenwel onder meer overwogen dat het bestemmingsplan past binnen de partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 en dat het bestemmingsplan voldoende garanties biedt dat geen afbreuk wordt gedaan aan beeld- en karakterbepalende kwaliteiten.

Het bestemmingsplan

2.3.    Het bestemmingsplan "Aalst dorp 1988, partiële herziening 2002" (hierna: het bestemmingsplan) voorziet in de bouw van twee woningen op het terrein van de voormalige brandweerkazerne.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. Appellant is het niet eens met de nieuwe bestemming "Woondoeleinden, toegangs- en achterpaden en tuinen" van het terrein. Hij stelt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar behoud van de brandweerkazerne en dat het plan voorts had dienen te worden getoetst aan het ontwerp-Streekplan Gelderland 2005.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het bestemmingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het bestemmingsplan goedgekeurd. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad en stelt voorts dat ter plaatse sprake is van een inbreidingslocatie, welke ontwikkeling goed past binnen de ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan geldende partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 (vastgesteld door provinciale staten van Gelderland op 21 juni 2000). In deze partiële herziening is het principe "inbreiding boven uitbreiding" verwoord, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Appellant woont aan de [locatie] te [plaats].

2.6.1.    Op grond van het vigerende bestemmingsplan "Aalst dorp 1988" hebben de gronden van de brandweerkazerne aan de E.P. Ooijenstraat te Aalst de bestemming "Bijzondere doeleinden", categorie "nutsdoeleinden". Binnen deze bestemming zijn verder nog de categorieën "sociaal-culturele, medische en maatschappelijk instellingen", "horeca-instellingen", "kerken en kerkelijke instellingen", "peuterspeelzalen" en "scholen" te onderscheiden. Met vrijstelling kunnen de categorieën onderling gewisseld worden, aldus het besluit van de gemeenteraad. De brandweerkazerne is sinds medio 2000 buiten gebruik en is inmiddels gesloopt.

2.6.2.    Met het bestemmingsplan wordt volgens de toelichting een hergebruik van de grond van de voormalige brandweerkazerne in Aalst beoogd. In het raadsbesluit is aangegeven dat binnen de vigerende bestemming geen mogelijkheid dan wel belangstelling is om het pand conform de bestemming te gebruiken.

De gemeenteraad is van mening dat een woonfunctie op deze plaats, gelet op de directe omgeving van het pand, het meest voor de hand ligt. De gronden zijn verkocht aan de woningbouwstichting "de Vijf Gemeenten" te Hedel. Het bestemmingsplan maakt maximaal twee woningen mogelijk. De gemeenteraad is van mening dat dit het landelijke karakter van het Delpad niet aantast nu de omvang en betekenis van de beoogde bebouwing gering is. Volgens de gemeenteraad kan in redelijkheid niet worden gesproken van een merkbare toename van verkeer in de E.P. Ooijenstraat. Het is evenmin te verwachten dat, gelet op de situering van de woning van appellant ten opzichte van de twee te bouwen woningen, appellant ook maar in enige mate hinder zal ondervinden van de enkele verkeersbeweging die mogelijk plaatsvindt, aldus de gemeenteraad. De gemeenteraad verwacht voorts niet dat er parkeerproblemen zullen ontstaan als gevolg van de bouw van de twee woningen. Bovendien is de bedoeling dat op eigen perceel wordt geparkeerd.

Het oordeel van de Afdeling    

2.7.    Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar behoud van het pand of een alternatieve invulling van de huidige bestemming. Gelet op de bewoordingen van het raadsbesluit moet worden aangenomen dat de gemeenteraad de verschillende mogelijkheden, inclusief een voorstel van een derde om het pand voor opslag of als stalling voor een auto te gebruiken, heeft onderzocht. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een invulling van de huidige bestemming niet in de verwachting ligt.

Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds had moeten toetsen aan de streekplan herziening 2005 omdat deze toen al gereed was. De herziening 2005 is pas op 20 september 2005, derhalve na het bestreden besluit, in werking getreden.

Appellant heeft geen argumenten aangevoerd waarom de gemeenteraad in redelijkheid niet kon overwegen dat in het geval van de bouw van twee woningen geen merkbare toename van verkeer in de E.P. Ooijenstraat is te verwachten. Voorts valt niet in te zien waarom de gemeenteraad onderzoek had moeten verrichten naar de parkeergelegenheid in de E.P. Ooijenstraat, nu een relevante toename van de parkeerdruk gelet op het geringe aantal woningen niet behoeft te worden verwacht. Overigens is ter zitting gebleken dat volgens de tekeningen van de bouwvergunning in parkeergelegenheid zal worden voorzien door de aanleg van drie parkeerplaatsen op het erf van de woningen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een zodanige aantasting van belangen dat aan het belang dat is gediend bij de ontwikkeling van twee woningen geen doorslaggevend gewicht kon worden toegekend.

2.7.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

317-463.