Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200503875/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) ontheffing verleend van de verbodsbepaling gebruik te mogen maken van een vaarweg met een schip waarvan de afmetingen de maximaal toegelaten afmetingen overschrijden. Bij ditzelfde besluit is namens het college aan appellant toestemming verleend om met zijn schip gebruik te mogen maken van de met name genoemde vaarwegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503875/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 03/153 van de rechtbank Leeuwarden van 15 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) ontheffing verleend van de verbodsbepaling gebruik te mogen maken van een vaarweg met een schip waarvan de afmetingen de maximaal toegelaten afmetingen overschrijden. Bij ditzelfde besluit is namens het college aan appellant toestemming verleend om met zijn schip gebruik te mogen maken van de met name genoemde vaarwegen.

Bij besluit van 8 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2005, verzonden op 18 april 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door J.P.M. Niessen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 42 van de Scheepvaartverkeerswet (hierna: de Svw) blijft de bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Svw worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen.

   Ingevolge artikel 1 van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement (hierna: het vaststellingsbesluit) is een reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk vastgesteld dat wordt aangehaald als: Binnenvaartpolitiereglement (hierna : het reglement).

       Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit geldt het reglement op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, met uitzondering van de in dit artikel vermelde wateren.

   Ingevolge artikel 1.06 van het reglement mag een schip of een samenstel niet deelnemen aan de scheepvaart, indien de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid en de snelheid van dit schip of dit samenstel niet verenigbaar zijn met de karakteristiek en met de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.

   Ingevolge artikel 1.21, eerste lid, van het reglement mag een schip dat op een vaarweg niet voldoet aan artikel 1.06 van het reglement en deswege aldaar niet zelf kan varen zich slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit doen slepen of assisteren.

   Ingevolge artikel 1 van de Vaarwegenverordening Friesland, in werking getreden 1 juli 1999 (hierna: de verordening), is de verordening van toepassing op de bij de provincie in beheer zijnde vaarwegen, welke voorkomen op de door het college op te maken en in het Provinciaal blad te plaatsen staten, te noemen de staten A en B.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de verordening wordt verstaan onder de staten A en B lijsten van bij de provincie in beheer en onderhoud zijnde vaarwegen en waterstaatswerken.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening, voor zover van belang, kan het college voor door hen aan te wijzen vaarwegen vaststellen de maximaal toegelaten afmetingen (met inbegrip van de last) voor schepen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het verboden gebruik te maken van een vaarweg met overschrijding van de ingevolge het eerste lid van dit artikel vastgestelde maxima.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de verordening kan het college op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze verordening gestelde verbodsbepalingen.

2.2.    Namens het college is aan appellant ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 3, tweede lid, van de verordening, en toestemming verleend, als bedoeld in artikel 1.21 van het reglement, om met het zeilend passagiersschip "Het Land Goesting" gebruik te maken van met name genoemde vaarwegen, opgenomen in staat A van de verordening, waaronder de vaarweg Workumertrekvaart inclusief de vaarweg It Soal.

2.3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat de afmetingen van het schip van appellant niet voldoen aan de maximaal toegelaten afmetingen die gelden voor de in het primaire besluit genoemde vaarwegen. Het besluit van 20 november 1990, waarbij het college uitvoering heeft gegeven aan artikel 3, eerste lid, van de verordening, is onherroepelijk geworden en derhalve dient volgens de rechtbank van de rechtmatigheid daarvan te worden uitgegaan. Voor appellant was, naar het oordeel van de rechtbank, de ontheffing noodzakelijk om gebruik te maken van de in het primaire besluit genoemde vaarwegen.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het in artikel 3 in samenhang met artikel 19 van de verordening neergelegde stelsel van verbod behoudens ontheffing in strijd is met de artikelen 1.06 en 1.21 van het reglement.

2.5.    Het betoog van appellant slaagt niet. Krachtens artikel 42 van de Svw heeft het provinciaal bestuur een aanvullende bevoegdheid tot het stellen van regels. Blijkens artikel 1 van het vaststellingsbesluit zijn de bepalingen in het reglement vastgesteld ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. Blijkens de toelichting bij dat artikel is beoogd te voorzien in de ordening van alle scheepvaartverkeer op de binnenwateren en op zee en daartoe regels vast te stellen die nodig zijn ter bevordering van de veiligheid en de vlotheid van de vaart en die direct of indirect strekken ter voorkoming van gevaar voor schepen of de scheepvaart.

   Nu de verordening regels bevat over het gebruik, de bescherming en de instandhouding van provinciale vaarwegen, en deswege strekt tot bescherming van andere belangen dan het reglement, valt niet in te zien dat het verbod in artikel 3, tweede lid, van de verordening om, behoudens ontheffing, met overschrijding van de maximaal toegelaten afmetingen voor schepen van een vaarweg gebruik te maken, in strijd is met de genoemde bepalingen in het reglement.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

91-497.