Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200503043/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft appellant, onder oplegging van een dwangsom, [wederpartij] aangeschreven de kelder op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), buiten gebruik te stellen door het verwijderen en verwijderd houden van de kozijnen uit de kelderwanden en het volstorten en volgestort houden van de kelder met zand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503043/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. Awb 05/95 en 05/98 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 23 februari 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft appellant, onder oplegging van een dwangsom, [wederpartij] aangeschreven de kelder op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), buiten gebruik te stellen door het verwijderen en verwijderd houden van de kozijnen uit de kelderwanden en het volstorten en volgestort houden van de kelder met zand.

Bij besluit van 17 december 2004 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2005, verzonden op 24 februari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 december 2004 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door P.J. Oud en J.P. Mendrik, beiden ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J.C.W. De Sauvage Nolting, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De op 15 september 1998 verleende bouwvergunning, die bij brief van 31 augustus 2000 op appellants naam is overgeschreven, ziet op de verbouw van het op het perceel aanwezige Kruithuis tot woning.

2.2.    Ingevolge de plankaart behorende bij het bestemmingsplan is het perceel aangewezen voor "Recreatieve doeleinden".

   Ingevolge artikel 9 van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Recreatieve doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor de actieve en passieve dagrecreatie, zoals lig- en speelweiden, zwem- en/of strandbaden, roeibanen, bospartijen, maneges, watersportcentra en dergelijke, daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken, open terreinen waaronder ontsluitingswegen, parkeerterreinen en dergelijke. (…).

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de overgangsbepaling van de planvoorschriften mag een niet met het plan overeenkomend bouwwerk, dat op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan aanwezig, dan wel in aanbouw was of gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvrage vóór het ter inzage leggen is ingediend, voor een gedeelte worden vernieuwd of in beperkte mate worden veranderd, mits de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot.

   Ingevolge artikel 1, zesde lid, van de overgangsbepaling van de planvoorschriften is in het geval het een gebruik van gronden en bouwwerken betreft, liggende in een gebied, waarvan de bestemming nog niet is verwezenlijkt, een wijziging in een ander, van het plan afwijkend gebruik, toegestaan; dit nieuwe gebruik mag niet meer afwijken van het in het plan bepaalde dan het voorgaande gebruik.

2.3.    De Afdeling stelt ambtshalve de vraag aan de orde of het bestuursorgaan in deze bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden.

2.3.1.    Ter zitting is van de zijde van appellant gesteld dat op basis van het overgangsrecht bouwvergunning is verleend voor de verbouw van het Kruithuis ten behoeve van woondoeleinden. Voorts is ter zitting vast komen te staan dat de in het geding zijnde kelder bij de revisietekening van 20 april 2001 ingetekend is en dat appellant hiermede heeft ingestemd. Deze revisietekening is bij de op 15 september 1998 verleende bouwvergunning gaan behoren. Hiermee is tevens gegeven dat appellant heeft ingestemd met het gebruik van de kelder ten behoeve van woondoeleinden.

2.3.2.    Nu gezien bovenstaande geen sprake was van strijdig gebruik of bouwen in afwijking van de bouwvergunning ontbrak bij appellant de bevoegdheid om, op grond van voornoemde gronden handhavend op te treden door middel van bestuursdwang of een last onder dwangsom. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.3.3.    In verband met het vorenstaande komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van de beroepsgronden.

2.4.    De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het besluit van 20 juli 2004 te herroepen.

De aangevallen uitspraak zal voor het overige worden bevestigd.

2.5.    Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij wordt opgemerkt dat er geen termen aanwezig zijn de reiskosten op basis van een kilometervergoeding toe te kennen, aangezien ten aanzien van [wederpartij] niet gebleken is dat hij niet of onvoldoende mogelijkheid heeft gehad om met het openbaar vervoer te reizen. Voorts heeft hij zijn gestelde verletkosten niet met nadere stukken onderbouwd, derhalve zijn deze forfaitair bepaald op het bedrag dat hierna onder V is vermeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de voorzieningenrechter niet zelf in de zaak heeft voorzien;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

III.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude van 20 juli 2004, kenmerk 2145;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de voorzieningenrechter vernietigde besluit van 17 december 2004;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,94 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en vierennegentig eurocent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

328-503.