Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200502822/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Bodegraven (hierna: het college) met vrijstelling bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van twee woningen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502822/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bodegraven,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/4994 van de rechtbank

's-Gravenhage van 18 februari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Bodegraven (hierna: het college) met vrijstelling bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van twee woningen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2005, verzonden op 22 februari 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in voornoemde uitspraak is bepaald. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 7 april 2005 en 14 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 juli 2005 heeft vergunninghouder die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C.J.R. Van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door ing. D. Overmulder, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghouder gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het door het college vergunde bouwplan betreft de oprichting van twee huizen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Bodegraven. Bij de vergunningverlening is vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2.    Appellants hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank, dat niet in rechte vaststaat dat er sprake is van een recht van erfdienstbaarheid van appellant ten laste van het in geding zijnde perceel en dat het college bij zijn belangenafweging daarom terecht geen rekening heeft gehouden met het aanwezig zijn van een aantasting dat recht. Appellant betoogt in dat verband, dat zijn privaatrechtelijke aanspraken door vergunninghouder en het college nimmer zijn weersproken en het college daarom dienaangaande onderzoek had moeten doen en de resultaten daarvan in zijn belangenafweging had moeten betrekken.

2.2.1.    Het betoog van appellant treft geen doel. Vanaf de aanvang van de procedure heeft vergunninghouder het bestaan van een erfdienstbaarheid betwist. Anders dan appellant stelt kan dan ook niet als vaststaand worden aangenomen dat ten tijde van de beslissing op bezwaar civielrechtelijke belemmeringen in de weg stonden aan de realisatie van het bouwplan. Dat appellant daarna op 14 juli 2005 ten overstaan van een notaris de verklaring heeft afgelegd dat hij door verjaring eigenaar is geworden van een nader aangeduid perceelsgedeelte en inschrijving van deze verklaring in de openbare registers heeft verlangd kan, wat daarvan ook zij, aan het vorenstaande niet af doen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

66-503.