Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200502761/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een serre op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Sint-Michielsgestel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502761/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint-Michielsgestel,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/958 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 15 februari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een serre op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Sint-Michielsgestel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2005, verzonden op 16 februari 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 13 juni 2005 heeft appellant hierop een reactie gegeven

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door J.L.N. Klink, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Exterkate, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op het plaatsen van een serre aan de zijgevel van de op het perceel aanwezige woning.

2.2.    Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde ten tijde van de aanvraag, mag de bouwvergunning alleen en moet worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

   Ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet wordt een aanvraag om een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

   Ingevolge het hier van toepassing zijnde artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen.

2.3.    Ingevolge de aanduiding op de plankaart van de het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stokhoek en Stokhoek herziening 1988" (hierna: het bestemmingsplan) is de op het perceel aanwezige woning aangeduid als cultuur-historisch waardevolle bebouwing.

   In artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat indien het bouwen overeenkomstig de aan de gronden gegeven bestemming betrekking heeft op bouwwerken, die op de kaart zijn aangeduid als cultuur-historisch waardevolle bebouwing, het bouwen uitsluitend plaats dient te vinden gericht op het behoud van, bescherming, herstel en ontwikkeling van de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan aanwezige uitwendige architectonische vormgeving en cultuur-historische waarden.

   Ingevolge de aanduidingen op de bijbehorende plankaart is de te bouwen serre gelegen binnen de bestemming "Tuin".

   Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op als "Tuin" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd één aan de woning gebouwde portiek of erker, mits:

a. de hoogte van de portiek/erker ten hoogste 3 meter bedraagt;

b. het oppervlak van de portiek/erker ten hoogste 6 m² bedraagt;

c. de afstand van de portiek/erker tot aan de weg gelegen zijde van

de bestemmingsgrens ten minste 3 meter bedraagt.

2.4.    Vast staat en ook niet in geschil tussen partijen is dat de door appellant gevraagde vergunning slechts na vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO kan worden verleend.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid het planologisch regime zoals dat is neergelegd in het bestemmingsplan "Theereheide 1998" als beoordelingskader van de mogelijkheid tot verlening van een vrijstelling heeft kunnen betrekken.

2.5.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft naar het recente bestemmingsplan "Theereheide 1998" slechts verwezen ter illustratie van het actuele ruimtelijk beleid ten aanzien van het verlenen van vrijstelling voor de bouw van bijgebouwen, dat inhoudt dat geen bijgebouwen worden toegestaan groter dan 6 m² en/of dichter bij de weg dan 3 meter. De rechtbank heeft dit beleid terecht niet onredelijk geacht. Het feit dat het bestemmingsplan "Theereheide 1998" een wijk betreft met een andere uitstraling is niet van betekenis voor beantwoording van de vraag of het door het college gevoerde beleid in zijn algemeenheid als aanvaardbaar is aan te merken. Nu het bouwplan in strijd is met dit ruimtelijke beleid heeft het college de vrijstelling kunnen weigeren. Anders dan appellant heeft betoogd, zijn er geen gronden om te oordelen dat het college, alvorens te beslissen, zich niet mocht laten adviseren door de gemeentelijke monumentencommissie.

2.6.    Tot slot is niet gebleken van een zodanig bijzonder geval of zodanig bijzondere omstandigheden dat aan appellant alsnog vrijstelling en bouwvergunning verleend diende te worden. Appellants betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende belang heeft toegekend aan zijn wens om een ruimte met meer lichtinval aan zijn woning toe te voegen, kan niet slagen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

66-503.