Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200501943/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2005, kenmerk 2003-52528, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V.", gevestigd te Cruquius, een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor haar betoncentrale gelegen aan Sniep 20 te Diemen, kadastraal bekend gemeente Diemen, sectie D(7), nummers 1348, 1486, 1571, 1572, 1870 en 1871. Dit besluit is op 21 januari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501943/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Recycling Maatschappij Steenkorrel Amsterdam B.V.", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2005, kenmerk 2003-52528, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V.", gevestigd te Cruquius, een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor haar betoncentrale gelegen aan Sniep 20 te Diemen, kadastraal bekend gemeente Diemen, sectie D(7), nummers 1348, 1486, 1571, 1572, 1870 en 1871. Dit besluit is op 21 januari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. M.H. van der Pavoordt, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.M.E. Veldkamp, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Verweerder heeft betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen een mogelijke overschrijding van bepaalde grenswaarden als 24-uursgemiddelde concentratie en als jaargemiddelde uit het Besluit Luchtkwaliteit.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid (oud), van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellante heeft bedoelde grond niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Hieruit volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Appellante voert aan dat voorschrift 1.12 ten onrechte is vervallen naar aanleiding van de bedenking van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V.. Zij meent dat het wenselijk is een meer algemene meet- en registratieverplichting op te nemen in de revisievergunning en verzoekt de Afdeling dit vervallen voorschrift alsnog daaraan te verbinden.

2.4.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de betoncentrale geen milieujaarverslagverplichting geldt en dat daarom voorschrift 1.12 niet noodzakelijk is. Daarbij komt volgens hem dat enkele andere voorschriften reeds garanderen dat op relevante onderdelen geregistreerd en zonodig gerapporteerd wordt, hetgeen een aanvullende verplichting zoals was vervat in voorschrift 1.12 overbodig maakt.

2.5.    Niet in geschil is dat de inrichting van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. niet op grond van hoofdstuk 12 van de Wet milieubeheer verplicht is een milieujaarverslag te maken, omdat een betoncentrale niet behoort tot één van de categorieën die daartoe zijn aangewezen in het Besluit milieuverslaglegging.

   Voorschrift 1.3 bij de revisievergunning bepaalt dat daarvan onder meer de aanvraag van 17 december 2003 deel uitmaakt. Die aanvraag vermeldt op pagina 18 dat Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. registraties bijhoudt van de gebruikte grond- en hulpstoffen, de geproduceerde betonmortel, het energie- en waterverbruik, de afvalstoffen, de reiniging, het onderhoud en van de inspecties aan diverse voorzieningen en materieel. Daarnaast bevat voorschrift 1.4 een registratie- en rapportageverplichting bij het inspectie- en onderhoudsplan, voorschrift 2.2 een registratieverplichting van de aan- en/of afgevoerde afvalstoffen, voorschrift 4.1 een rapportageverplichting van de energiebesparende maatregelen, voorschrift 5.2 juncto voorschrift 5.4 een rapportageverplichting bij activiteiten die potentieel bodembedreigend kunnen zijn en voorschrift 5.5 juncto voorschrift 5.6 een rapportageverplichting van bodembeschermende maatregelen.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvullende meet- en registratieverplichting voor de betoncentrale niet aan de revisievergunning behoeft te worden verbonden.

   Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6.    Appellante voert aan dat de overgangstermijn in voorschrift 5.1 met betrekking tot de emissies van fijn stof bij het bestreden besluit ten onrechte ten opzichte van het ontwerp daarvan is verlengd tot 30 oktober 2010. Zij acht deze verruiming onvoldoende gemotiveerd en verzoekt de Afdeling die termijn weer te beperken tot 1 januari 2007.

2.7.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat voorschrift 5.1 gebaseerd is op de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht uit april 2003 (hierna: NeR). Daarin is volgens hem voor bestaande ontstoffingsinstallaties een overgangstermijn tot 30 oktober 2010 opgenomen en behoeft pas daarna aan de verscherpte emissie-eisen uit het NeR te worden voldaan. Die termijn liep in de ontwerp-vergunning dan ook abusievelijk tot 1 januari 2007.

2.8.    Voorschrift 5.1, onder a, bepaalt dat de emissies van fijn stof bij de ontstoffingsinstallaties tot uiterlijk 30 oktober 2010 de grenswaarde van 10 mg/m30 niet mogen overschrijden. Na 30 oktober 2010 mogen blijkens voorschrift 5.1, onder aa, die emissies de grenswaarde van 5 mg/m30 niet overschrijden.

   Paragraaf 2.5.4 van de NeR vermeldt dat voor bestaande situaties waarin nog niet wordt voldaan aan de eisen in de NeR, het bevoegd gezag een realiseringstermijn kan hanteren. Na het verstrijken hiervan moet de inrichting voldoen aan de emissie-eisen conform de algemene eisen van de NeR. Niet in geschil is dat de betoncentrale een bestaande situatie betreft omdat de desbetreffende activiteit reeds eerder vergund is geweest. Uit voormelde paragraaf volgt dat de realiseringstermijn voor de installaties van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. uiterlijk op 30 oktober 2010 moet eindigen. Bij het bepalen van de realiseringstermijn moet het bevoegd gezag rekening houden met de in deze paragraaf genoemde aspecten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 juli 2005 in zaak no. 200406130/1 moet uit paragraaf 2.5.4 worden afgeleid dat de installaties in bestaande situaties uiterlijk op 30 oktober 2010 aan de eisen van de NeR moeten voldoen, maar zoveel eerder als gezien de in deze paragraaf genoemde aspecten realiseerbaar is.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat de ontstoffingsinstallaties pas na 30 oktober 2010 behoeven te voldoen aan de verscherpte emissie-eisen uit de NeR, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Voorts heeft verweerder nagelaten te beoordelen of eerder dan 30 oktober 2010 aan die eisen kan worden voldaan, zodat hij in strijd heeft gehandeld met het door hem gekozen uitgangspunt en het bestreden besluit aldus evenmin met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

2.9.    Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft de datum "30 oktober 2010" in voorschrift 5.1, onder a en aa, te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Nu tussen partijen overeenstemming bestaat dat niet eerder dan op 1 januari 2007 aan de in voorschrift 5.1 opgenomen grenswaarden behoeft te zijn voldaan, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.10.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het dat zich keert tegen een mogelijke overschrijding van bepaalde grenswaarden als 24-uursgemiddelde concentratie en als jaargemiddelde uit het Besluit Luchtkwaliteit;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 10 januari 2005, kenmerk 2003-52528, voor zover het betreft de datum "30 oktober 2010" in voorschrift 5.1, onder a en aa;

IV.    treft de voorlopige voorziening dat de datum "1 januari 2007" geacht wordt te zijn vermeld in voorschrift 5.1, onder a en aa;

V.    bepaalt dat de onder IV. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment dat het nieuw te nemen besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in werking treedt;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Heijde

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

349.