Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200501042/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Beverwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2004, het bestemmingsplan "Business Park Ymond, Centraal Emplacement Noord en Willem Bakkerweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501042/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Westerhout Blijft!", gevestigd te Beverwijk,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Beverwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2004, het bestemmingsplan "Business Park Ymond, Centraal Emplacement Noord en Willem Bakkerweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 december 2004, kenmerk 2004-30429, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 juli 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A.C. Rensen, ambtenaar van de gemeente, en

P.M. der Lie.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.1.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het bestemmingsplan "Business Park Ymond, Centraal Emplacement Noord en Willem Bakkerweg" (hierna: het plan) heeft betrekking op de deelgebieden Centraal Emplacement Noord en Willem Bakkerweg die tezamen met de deelgebieden Triport, Centraal Emplacement Zuid en Noordgebied deel uitmaken van het voorziene bedrijventerrein Business Park Ymond (hierna: BPY). Het BPY is en wordt ontwikkeld op gronden die deel uitmaken van het bedrijfsterrein van het staalconcern Corus. Het voorziene bedrijventerrein op het Centraal Emplacement Noord beslaat ongeveer 12 hectare en dat aan de Willem Bakkerweg ongeveer 5 hectare.

Het standpunt van appellante

2.3.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voert hiertoe, samengevat weergegeven, aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de milieueffecten van de herstructurering van het industrieterrein van Corus. In dit verband stelt appellante dat met name in het plangebied vleermuizen verblijven en dat geen deugdelijk onderzoek hiernaar is gedaan. Volgens appellante zou voor de verstoring van verblijfplaatsen van vleermuizen een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) moeten worden aangevraagd. Appellante voert verder aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van rugstreeppadden, nu volgens appellante in de nabijheid van het plangebied de rugstreeppadden een voortplantingsgebied hebben. Tot slot wenst appellante herstel en compensatie van reeds vernietigde natuurwaarden.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft daartoe in aanmerking genomen dat voor het overgrote deel van het plangebied reeds een industriële bestemming van kracht was. Voorts heeft hij erop gewezen dat in het plan voor het terrein aan de Willem Bakkerweg grotendeels in een bestemming groendoeleinden is voorzien. Verweerder stelt zich op basis van het aan het vaststellingsbesluit ten grondslag liggende rapport op het standpunt dat vleermuizen wel foerageren in het plangebied, doch daar geen vaste verblijfplaats hebben. Volgens verweerder vindt geen verstoring van de vleermuizen plaats en is er geen aanleiding de aanwezigheid van rugstreeppadden in het plangebied te veronderstellen.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, vierde lid, van de Ffw, voorzover hier van belang, worden vrijstellingen en ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel worden, voorzover hier van belang, onverminderd het vierde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

2.5.2.    Een aantal vleermuissoorten, waaronder de Dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Laatvlieger en de Watervleermuis, alsmede rugstreeppadden, zijn diersoorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

2.5.3.    Op 18 juni 2004 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) aan de gemeente Beverwijk ontheffing verleend op grond van artikel 75, vierde lid, van de Ffw van de verbodsbepalingen in de artikelen 9, 10, 11 en 13 van de Ffw voor zover het betreft de bosspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol en woelrat.

2.5.4.    Op 3 september 2004 heeft de minister opnieuw ontheffing verleend van de verbodsbepalingen in de artikelen 9, 10, 11 en 13 van de Ffw waarbij behalve voor de soorten genoemd in de ontheffing van 18 juni 2004 ook ontheffing is verleend voor de bruine kikker en de gewone pad. De ontheffing van 18 juni 2004 is ingetrokken.

2.5.5.    In het streekplan Noord-Holland Zuid (hierna: het streekplan) is vermeld dat provinciale staten op 14 maart 2000 een gedragslijn hebben vastgesteld voor compensatie van ingrepen in beschermingswaardige natuur-, landschaps-, recreatie- en bodembeschermingsgebieden alsmede gebieden met grote cultuurhistorische waarden, waaronder archeologische waarden. Voor wat betreft zogenaamde richtlijngebieden en internationaal belangrijke soorten zal de compensatie in een nationaal kader plaatsvinden volgens de Ffw, aldus het streekplan. Op de contourenkaart bij het streekplan is aangegeven dat de gronden van het plangebied vallen binnen de rode contouren van het stedelijke gebied. Voorts zijn de gronden volgens de plankaart bij het streekplan aangeduid als bedrijventerrein. In het voorheen geldende bestemmingsplan had het plangebied grotendeels een industriële bestemming.

2.5.6.    De uitvoering van het bedrijventerrein BPY vindt plaats in verschillende fasen. De deelgebieden Triport en Centraal Emplacement Zuid zijn gelegen in de gemeente Velsen en de onderhavige deelgebieden in de gemeente Beverwijk. Het deelgebied Noordgebied ligt in de gemeente Heemskerk. Voor iedere fase wordt naar de planologische visie van de betrokken gemeenteraad een afzonderlijk bestemmingsplan vastgesteld. Het bestemmingsplan "Business Park Ymond, deelgebieden Triport en Centraal Emplacement Zuid" is op 15 oktober 1999 door de gemeenteraad van Velsen vastgesteld en was ten tijde van de vaststelling van het onderhavige plan reeds onherroepelijk.

Uitgevoerde onderzoeken

2.6.    In opdracht van de gemeenteraad heeft Grontmij Advies & Techniek b.v. (hierna: Grontmij) het rapport "Scan natuur- en soortenbeleid Business Park Ymond, deelgebieden Willem Bakkerweg en Centraal Emplacement Noord", gedateerd 24 oktober 2002, uitgebracht. Tijdens de inventarisatie zijn volgens het rapport geen amfibieën in de beide deelgebieden waargenomen. Voorts volgt uit het rapport dat de Dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Laatvlieger en de Watervleermuis het plangebied als foerageergebied gebruiken. Tijdens en na de bouwwerkzaamheden kunnen de vleermuizen ongehinderd gebruik blijven maken van het plangebied als foerageergebied, aldus het rapport. Om die reden vindt volgens het rapport geen verstoring plaats.

2.6.1.    In aanvulling op de natuurscan van oktober 2002 heeft op 25 augustus 2004 alsmede op 10 september 2004 een terreinschouw plaatsgevonden. Van de zijde van appellante was bij de terreinschouw van 10 september 2004 een vertegenwoordiger aanwezig. Van deze terreinschouwingen is door Grontmij een verslag opgesteld. In dit verslag staat vermeld dat meerdere gewone padden en bruine kikkers zijn aangetroffen, dat foeragerende vleermuizen zijn waargenomen, dat de (reeds omgezaagde) bomen zijn onderzocht op de aanwezigheid van holtes die door vleermuizen zouden kunnen worden bewoond, maar dat deze holtes niet zijn aangetroffen. Door de vertegenwoordiger van de zijde van appellante is van de schouw van 10 september 2004 eveneens een verslag opgesteld. Daarin staat vermeld dat een tiental bomen is gezien die vleermuiskolonies zouden kunnen bevatten. Gezien het vroege tijdstip van de schouw was het volgens dit verslag evenwel niet mogelijk om aan te tonen dat de bomen daadwerkelijk door vleermuizen werden bewoond. Deze vertegenwoordiger heeft op dezelfde dag 's avonds wederom het plangebied bezocht en heeft naar aanleiding van dat bezoek geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat op het terrein vleermuizen verblijven.

2.6.2.    Appellante heeft het onderzoeksrapport "Beschermde soorten op tracé Westelijke Randweg", gedateerd 10 januari 2005, opgesteld door P. Jurriens en dr. C.W.T. van Roermund, in beroep overgelegd. Volgens het rapport vormt de rand van Westerhout voor verschillende soorten vleermuizen een foerageergebied. Tevens zijn van twee verschillende soorten vleermuizen die worden genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, te weten de Ruige dwergvleermuis en de Grootoorvleermuis, vaste verblijfplaatsen op het toekomstige tracé van de Randweg aangetroffen. Het betreft zomerverblijfplaatsen. Het onderzoeksrapport komt voorts tot de conclusie dat het tracé, voorzover het ligt binnen de gemeenten Beverwijk en Velsen, deel uitmaakt van de vaste rust-, verblijf- en voortplantingsplaatsen van rugstreeppadden.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Ter zitting heeft appellante gesteld dat haar beroep, voorzover dit betrekking heeft op de mogelijke MER-plicht, ziet op de wens de natuurwaarden in het plangebied aan een onderzoek te onderwerpen. Appellante heeft hieromtrent ter zitting desgevraagd gesteld en nader toegelicht dat het haar niet gaat om de mogelijke plicht tot opstellen van een MER omdat dat zij geen bezwaren heeft tegen het ten tijde van de vaststelling van onderhavige plan reeds onherroepelijke bestemmingsplan "Business Park Ymond, deelgebiedenTriport en Centraal Emplacement Zuid". Op grond van het verhandelde ter zitting wordt het beroep van appellante inzake de mogelijke MER-plicht aldus opgevat dat onvoldoende onderzoek naar de in het plangebied aanwezige soorten heeft plaatsgevonden.

2.7.1.    Vast staat dat de gemeenteraad voorafgaand aan de vaststelling van het plan door Grontmij een onderzoek naar de natuurwaarden heeft laten uitvoeren en dat de gemeenteraad en verweerder zich bij de vaststelling respectievelijk de goedkeuring van het plan op dit onderzoeksrapport hebben gebaseerd. Voorts heeft in aanvulling op dit onderzoek tenminste twee maal een terreinonderzoek plaatsgevonden. Blijkens de onder overweging 2.6.1. genoemde verslagen waren deze terreinonderzoeken onder meer gericht op het onderzoeken van het plangebied op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze onderzoeken een onvolledig overzicht van de natuurwaarden in het plangebied geven. Verweerder heeft zich mitsdien naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende zorgvuldig onderzoek is verricht naar de aanwezige natuurwaarden, waaronder de mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en de aanwezigheid van rugstreeppadden.

   Uit het door de gemeenteraad overgelegde rapport van oktober 2002 is niet gebleken dat zich ter plaatse van het plangebied rugstreeppadden bevinden dan wel verblijfplaatsen van vleermuizen. Dat verschillende soorten vleermuizen het plangebied gebruiken als foerageergebied en ter plaatse kunnen worden waargenomen, maakt dit niet anders. Uit het in overweging 2.6.2. genoemde rapport van appellante blijkt dat zowel (de verblijfplaatsen van) verschillende soorten vleermuizen die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn als rugstreeppadden ter plaatse van het tracé van de westelijke Randweg zijn aangetroffen. Aangezien het door appellante aangehaalde onderzoek echter geen betrekking heeft op de gronden van het Centraal Emplacement Noord en de Willem Bakkerweg, kan uit het rapport niet worden afgeleid of de rugstreeppadden dan wel de verblijfplaatsen van de vleermuizen zich ter plaatse van het plangebied bevinden. Gelet hierop en op de resultaten van het in opdracht van de gemeenteraad uitgevoerde onderzoek is niet gebleken dat zich in het plangebied rugstreeppadden bevinden dan wel dat in het plangebied sprake is van de in artikel 11 van de Ffw bedoelde vaste rust- of verblijfsplaatsen van de vleermuizen. Hierbij betrekt de Afdeling dat aanvullende veldonderzoeken zijn verricht en hieruit evenmin is gebleken dat zich ter plaatse van het plangebied rugstreeppadden bevinden dan wel verblijfplaatsen van vleermuizen.

2.7.2.    Blijkens hetgeen is overwogen onder 2.5.5. vallen de gronden van het plangebied niet binnen de in het streekplan aangeduide beschermingswaardige gebieden. Voorts is, in aanmerking genomen dat de gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan grotendeels een industriële bestemming hadden, evenmin anderszins gebleken dat het plangebied een beschermingswaardig gebied betreft zodat verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt heeft gesteld dat herstel dan wel compensatie van mogelijke vernietiging van natuurgebied niet aan de orde is. Dat bepaalde op grond van de Ffw beschermde soorten in het plangebied zijn aangetroffen en voor die soorten een ontheffing is verleend van de verbodsbepalingen in de artikelen 9, 10, 11 en 13 van die wet en in het kader van deze ontheffing compenserende en mitigerende maatregelen moeten worden getroffen, maakt dit niet anders.

2.7.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de vereniging "Vereniging Westerhout blijft!" is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

178-500.