Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200503544/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) appellante op de hoogte gesteld van het besluit tot plaatsing van het complex aan de Deventerstraat 459 en de woningen aan de Deventerstraat 512 en 524 te Apeldoorn op de gemeentelijke monumentenlijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503544/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Spatie, centrum voor geestelijke gezondheid", gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/118 van de rechtbank Zutphen van 9 maart 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij brief van 12 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) appellante op de hoogte gesteld van het besluit tot plaatsing van het complex aan de Deventerstraat 459 en de woningen aan de Deventerstraat 512 en 524 te Apeldoorn op de gemeentelijke monumentenlijst.

Bij besluit van 17 december 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2005, verzonden op 14 maart 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.D.G. Visser en mr. C.P.L. Kapenga, ambtenaren van de gemeente Apeldoorn, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2 van de op 1 januari 2003 in werking getreden Monumentenverordening 2003 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de verordening) wordt bij de toepassing van deze verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de verordening kan het college al dan niet op verzoek van belanghebbenden besluiten monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst plaatsen.

   In de toelichting bij artikel 6 is, voorzover hier van belang, vermeld dat ook andere belangen (planologische en/of economische belangen, huidig gebruik) dan die van het instandhouden van de cultuurhistorische waarden van het monument worden meegewogen en dat de afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren moet komen.

2.2.    Het college heeft zich bij het besluit van 17 december 2003 op het standpunt gesteld dat het bij de besluitvorming omtrent de aanwijzing geen rekening hoefde te houden met de door appellante genoemde bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische problemen die er volgens appellante zullen optreden als gevolg van de plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst, omdat appellante geen concrete plannen omtrent de toekomst van het perceel aan het college bekend heeft gemaakt. Het gewijzigde financieringsstelsel en de als gevolg daarvan bij plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst volgens appellante te verwachten nadelige gevolgen voor het onderhoud en gebruik van het pand op zich vormen, aldus het college, evenmin aanleiding om af te zien van plaatsing van de panden op die lijst.

2.3.    Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij gedurende de procedure met betrekking tot de plaatsing van de panden op de gemeentelijke monumentenlijst geen concrete plannen tot afbraak of wijziging van de panden aan het college kenbaar heeft gemaakt en dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat het college de door appellante aangegeven bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische aspecten geen rol heeft laten spelen in het besluitvormingsproces.

2.4.    Aan het college komt op grond van de verordening de discretionaire bevoegdheid toe de onderhavige panden - waarvan niet in geschil is dat zij monumentwaardig zijn - op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Het college dient daarbij rekening te houden met het gebruik van het monument, zoals voorgeschreven in artikel 2 van de verordening, alsmede met de belangen, zoals genoemd in de toelichting op artikel 6 van de verordening. Appellante heeft zowel in bezwaar als in beroep aangegeven waarom plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst gezien het huidige gebruik van de panden ten behoeve van de geestelijke gezondheidszorg en de in verband daarmede in de nabije toekomst vereiste bouwkundige aanpassingen van de gebouwen zal leiden tot bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische problemen. Niet valt in te zien dat - ook als ervan zou worden uitgegaan dat er geen concrete plannen zijn voor wijziging of sloop van één of meerdere panden - aan de door appellante opgesomde omstandigheden zonder meer voorbij kan worden gegaan. Nu het college in de onderhavige zaak bij de besluitvorming omtrent de aanwijzing als gemeentelijk monument geen aandacht heeft besteed aan het huidige gebruik en aan de, naar alleszins aannemelijk is, als gevolg van die aanwijzing voor appellante dreigende bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische problemen, is de beslissing op bezwaar onzorgvuldig voorbereid en niet van een deugdelijke motivering voorzien. De beslissing op bezwaar is hierdoor, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep bij de rechtbank dient alsnog gegrond te worden verklaard. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 maart 2005, reg.no. 04/118;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 17 december 2003, kenmerk Vrb/381285/6030;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: éénduizendtweehonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Apeldoorn aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Apeldoorn aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 687,00 (zegge: zeshonderdzevenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

47-420.