Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200501898/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan de commanditaire vennootschap Tango C.V. voor een onbemand brandstofverkooppunt op het perceel Frankeneng 118 te Ede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501898/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de besloten vennootschap "VIA Tankstations B.V.", handelende onder de naam ANWB Tankstations, gevestigd te Oosterhout,

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 04/383 en 04/415 van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan de commanditaire vennootschap Tango C.V. voor een onbemand brandstofverkooppunt op het perceel Frankeneng 118 te Ede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 januari 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellante sub 1 bij brief van 3 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 2 bij brief van 3 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 31 maart 2005. Appellanten sub 2 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 31 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Kuwait Petroleum Nederland B.V., rechtsopvolger van Tango C.V., heeft bij brief van 4 mei 2005 een memorie ingediend.

Bij brief van 9 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2005, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door J.P. van der Marel, bijgestaan door mr. R.S. Namjesky, advocaat te Breda, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. R.S. Namjesky voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door H.H. van den Berg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen Kuwait Petroleum Nederland B.V., vertegenwoordigd door J.G. van Leeuwen, bijgestaan door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Heestereng, 1e herziening" bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden".

   Ingevolge artikel 8, lid 1.1, voorzover van belang, dienen de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" (B) ter verwezenlijking van het bedrijventerrein "Heestereng". Ten einde een ruim, maar tegelijkertijd planologisch en milieuhygiënisch verantwoord vestigingbeleid van bedrijven te kunnen voeren met een gewenste differentiatie naar bedrijfstypen, zijn de genoemde gronden in algemene zin bestemd voor:

a. gebruik en bebouwing ten behoeve van bedrijf en handel (niet zijnde detailhandel), uitsluitend evenwel voorzover het betreft bedrijven en inrichtingen die zijn opgenomen in de bij deze voorschriften gevoegde bedrijvenlijst, indien en voorzover zij behoren tot een van de daarin genoemde milieucategorieën 1, 2, 3 en 4 (spreidingsgetal 1);

b. (…)

c. (…)

d. (…).

   Ingevolge artikel 8, lid 4.1, is de oprichting van benzineverkooppunten uitsluitend toegestaan bij een garagebedrijf en op die gronden die voorzien zijn van de nadere aanwijzing bv (benzineverkooppunt); de bouw van deze verkooppunten ten behoeve van garages is ook toegestaan buiten het gebouwenvlak, uitsluitend indien gebouwd wordt op aan de openbare weg grenzende gronden.

2.2.    Het geschil betreft de vraag of de rechtbank tot het juiste oordeel is gekomen dat het college het bouwplan terecht niet in strijd heeft geacht met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

2.2.1.    Uit de omstandigheid dat het gebruik van gronden en gebouwen voor detailhandelsdoeleinden ingevolge voormeld artikel 8, lid 1.1, onder a, niet is toegestaan, volgt - anders dan appellanten betogen - op zichzelf niet dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Nu lid 4.1 van dat artikel, dat blijkens het opschrift voorziet in overige bebouwingsmogelijkheden op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", het oprichten van een benzineverkooppunt uitdrukkelijk toestaat, moet een uitzondering op het detailhandelsverbod worden aangenomen. Het betoog van appellanten dat een benzineverkooppunt niet valt in één van de milieucategorieën genoemd in artikel 8, lid 1.1, onder a, van de planvoorschriften kan gelet op het voorgaande niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2.2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het benzineverkooppunt geen onderdeel zal vormen van de bedrijfsactiviteiten van het op het perceel gevestigde garagebedrijf. Dat betoog kan niet leiden tot het oordeel dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is. De rechtbank heeft uit de in voormeld artikel 8, lid 4.1, gebruikte bewoordingen "bij een garagebedrijf" terecht afgeleid dat de planwetgever hiermee slechts een plaatsaanwijzing heeft willen geven en niet een zekere organisatorische binding met het garagebedrijf tot uitdrukking heeft willen brengen. Ook de plantoelichting biedt voor de door appellanten voorgestane uitleg onvoldoende aanknopingspunten. De door appellanten in dit verband genoemde passages uit die toelichting hebben betrekking op de in de planvoorschriften voorziene bevoegdheid van het college om vrijstelling te verlenen ten behoeve van detailhandelsvestiging en zijn ten deze niet relevant.

2.2.3.    De omstandigheid dat het perceel op de plankaart niet is voorzien van de aanwijzing "bv (benzineverkooppunt)" leidt evenmin tot het oordeel dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is. De door het college aan artikel 8, lid 4.1, van de planvoorschriften gegeven en door de rechtbank onderschreven uitleg acht de Afdeling juist. Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun standpunt dat een benzineverkooppunt slechts is toegestaan op gronden bij een garagebedrijf die zijn voorzien van bedoelde aanwijzing. De in dat artikel gebruikte woorden "en op die gronden" wijzen er op dat de planwetgever zowel bij garagebedrijven als op gronden met bedoelde aanwijzing de vestiging van een benzineverkooppunt mogelijk heeft willen maken. De plantoelichting biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Dat zodanige uitleg volgens appellanten meebrengt dat in een beperkt gebied de vestiging van een groot aantal benzineverkooppunten mogelijk is, doet aan het voorgaande niet af.

2.3.    Niet wordt ingezien dat het college in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld door het naar aanleiding van de door appellanten gemaakte bezwaren uitgebrachte advies van de commissie voor de bezwaarschriften niet op alle onderdelen te weerleggen. Dat geldt te meer nu daarin een onjuiste uitleg aan de planvoorschriften is gegeven. Het college heeft zijn van dat advies afwijkende standpunt voldoende gemotiveerd.

2.4.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

412.