Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200502433/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "EuroCeramic B.V." een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van keramische rioleringssystemen, gelegen op het perceel Stationstraat 9 te Belfeld, kadastraal bekend gemeente Belfeld, sectie D, nummers 444, 2299 en 2450 en sectie F, nummers 1518 en 1520. Dit besluit is op 10 februari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/2258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502433/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "EuroCeramic B.V." een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van keramische rioleringssystemen, gelegen op het perceel Stationstraat 9 te Belfeld, kadastraal bekend gemeente Belfeld, sectie D, nummers 444, 2299 en 2450 en sectie F, nummers 1518 en 1520. Dit besluit is op 10 februari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2005.

Bij brief van 17 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 8 september 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2005, waar [twee van de appellanten] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. I.L. van de Veen en J.J.G. Janssen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en [gemachtigden].

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Bij wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), in werking getreden op 1 december 2005, is de Wet milieubeheer gewijzigd. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.1.1.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte het gebruik van de buizenzagerij gedurende de nachtperiode, te weten van 6.00 tot 7.00 uur, heeft vergund, nu de gestelde geluidgrenswaarden volgens hen niet kunnen worden nageleefd. Zo heeft verweerder volgens appellanten ten onrechte toegestaan dat een bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast in de nachtperiode. Voorts zal volgens appellanten naast de zaagmachine ook de vorkheftruck in werking zijn en zal er schervenafval worden gedeponeerd in stalen containers.

2.1.2.    Verweerder betoogt dat het in werking zijn van de zagerij tussen 6.00 en 7.00 uur niet zal leiden tot overschrijding van de voor de nachtperiode gestelde geluidgrenswaarden. Verweerder wijst erop dat in overeenstemming met de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 een bedrijfsduurcorrectie is toegepast, omdat de zagerij slechts gedurende één uur in de nachtperiode in bedrijf is. Het gebruik van de vorkheftruck en het deponeren van afval in stalen containers is volgens hem gedurende die periode niet toegestaan.

2.1.3.    Ingevolge voorschrift I.1, voor zover van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door activiteiten binnen de inrichting in de normale bedrijfssituatie ter plaatse van alle zeven in bijlage 1 aangegeven immissiepunten gedurende de nachtperiode niet meer bedragen dan 30 dB(A).

   Ingevolge voorschrift I.2, voor zover van belang, mag het maximaal beoordelingsniveau (Lmax) veroorzaakt door activiteiten binnen de inrichting in de normale bedrijfssituatie ter plaatse van de in bijlage 1 aangegeven immissiepunten gedurende de nachtperiode niet meer bedragen dan de voor die periode in de tabel bij dit voorschrift vermelde waarden, variërend van 46 tot en met 57 dB(A).

   Ingevolge voorschrift I.7, voor zover van belang, moeten geluidmetingen en/of berekeningen alsmede de beoordeling van de resultaten geschieden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999.

2.1.4.    Het is niet in strijd met de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 om in dit geval voor de nachtperiode een bedrijfsduurcorrectie toe te passen. Voorzover appellanten stellen dat toepassing hiervan tot gevolg heeft dat een inrichting gedurende een relatief korte tijd in de nacht zeer veel geluid mag veroorzaken, overweegt de Afdeling dat dit wordt begrensd door het stellen van piekgeluidgrenswaarden, hetgeen in voorschrift I.2 is gebeurd.

   Met betrekking tot het geluid van de vorkheftruck en het deponeren van afval in stalen containers, overweegt de Afdeling als volgt. In het akoestisch rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., kenmerk 2003.1878-2, (hierna: het akoestisch rapport), dat als bijlage 7 bij de aanvraag is gevoegd, staat op pagina 8 vermeld dat intern transport uitsluitend in de dagperiode plaatsvindt. Nu in het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de aanvraag inclusief deze bijlage deel uitmaakt van de vergunning, is het derhalve niet toegestaan in de nachtperiode met een vorkheftruck te rijden. Het door een vorkheftruck veroorzaakte geluid behoefde dan ook niet bij de beoordeling van die periode te worden betrokken. Ten aanzien van het deponeren van het bij het zagen vrijkomende afval in stalen containers, overweegt de Afdeling dat deze activiteit in de voorschriften niet uitdrukkelijk is verboden en dat evenmin in de van de vergunning deel uitmakende aanvraag en bijlagen is vermeld dat die activiteit  in de nachtperiode niet zal geschieden. Blijkens de stukken is deze activiteit evenwel mede beoordeeld in het akoestisch rapport.

   In het deskundigenbericht is vermeld dat de in de voorschriften I.1 en I.2 gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd, zelfs als de geluidisolatie van de zagerij wat lager zou zijn dan is aangenomen in het akoestisch rapport.

   Gezien het vorenstaande kan het beroep in zoverre niet slagen.

2.2.    Appellanten kunnen zich niet verenigen met de in de voorschriften J.1 en J.2 opgenomen trillingnormen. Ten aanzien van voorschrift J.1 betogen appellanten dat verweerder ten onrechte toestaat dat het in- en uitschakelen van de kollergang twee maal per dag leidt tot een trilling die leidt tot overschrijding van de normale waarden. Voorts betogen ze ten aanzien van voorschrift J.2 dat ingebruikname van de chamottelijn, mede gelet op de andere trillingen die de inrichting veroorzaakt, er toe zal leiden dat de in voorschrift J.2 gestelde trillingnormen niet kunnen worden nageleefd.

2.2.1.    Verweerder stelt dat een fasering in de vergunning is opgenomen, omdat in de huidige bedrijfssituatie niet wordt voldaan aan de trillingnormen zoals opgenomen in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). In fase 1 is een hogere waarde voor A3 vergund dan in de in de Handreiking vermelde norm, terwijl de waarde voor A3 in fase 2 (twee jaar na het in werking treden van de vergunning) gelijk is aan die norm. Volgens verweerder mag de chamottelijn in fase 2 alleen in gebruik worden genomen als aan de trillingnormen voor die fase kan worden voldaan. Vergunninghoudster heeft volgens verweerder met het bij de aanvraag gevoegde trillingrapport van Cauberg-Huygen van 20 juni 2004, kenmerk 2003.1878-1 (hierna: het trillingrapport), aangetoond dat door het nemen van maatregelen die normen kunnen worden nageleefd. Evenwel zal zij volgens verweerder na het begin van fase 2 nogmaals moeten aantonen dat daadwerkelijk wordt voldaan aan de gestelde normen.

2.2.2.    Ingevolge voorschrift J.1 mogen de trillingniveaus veroorzaakt door de inrichting gedurende de dagperiode, tot uiterlijk 24 maanden na het van kracht worden van deze vergunning, in ruimten van enige niet tot de inrichting behorende woning, niet groter zijn dan 0,15, 2,50 en 0,14 als waarde voor onderscheidenlijk A1, A2 en A3.

   Ingevolge voorschrift J.2 mogen de trillingniveaus veroorzaakt door de inrichting gedurende de dagperiode, vanaf 24 maanden na het van kracht worden van deze vergunning, in ruimten van enige niet tot de inrichting behorende woning, niet groter zijn dan 0,15, 2,50 en 0,07 als waarden voor onderscheidenlijk A1, A2 en A3.

   Ingevolge voorschrift J.3 mag vergunninghoudster tot 24 maanden na het van kracht worden van deze vergunning geen gebruik maken van de kogelmolens, kegelbreker en kaakbreker die onderdeel uitmaken van de chamottelijn. Na deze termijn mag vergunninghoudster gebruik maken van voornoemd materieel als aan het gestelde in voorschrift J.2 wordt voldaan.

   Ingevolge voorschrift J.6 moet het bedrijf uiterlijk 30 maanden na het van kracht worden van deze vergunning een rapportage overleggen waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het voorschrift J.2 aangegeven normen.

2.2.3.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag op het punt van trillinghinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. Wat de in voorschrift J.2 gestelde waarden betreft heeft hij daarbij aangesloten bij de waarden zoals die zijn vermeld bij gebiedstype 2 van tabel 8 van de Handreiking. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 december 2001 in zaak no. 200005338/1 (aangehecht) is het hanteren van de normen die ingevolge tabel 8 van de Handreiking bij de in die tabel vermelde gebiedstypen 1, 2 en 3 horen, niet in strijd met het recht te achten. In het deskundigenbericht is vermeld dat het gekozen gebiedstype 2 overeenkomt met de aard van de omgeving van de inrichting, te weten woningen in een woonwijk. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift J.2 voldoende bescherming biedt tegen trillinghinder. Het beroep treft in zoverre geen doel.  

2.2.4.    Ten aanzien van de naleefbaarheid van de in voorschrift J.2 gestelde normen, overweegt de Afdeling dat uit het trillingrapport onvoldoende kan worden afgeleid dat de in voorschrift J.2 gestelde normen zullen kunnen worden nageleefd. Daartoe is van belang dat dit rapport slechts een beschrijving bevat van theoretische mogelijkheden om tot een reductie van trillingsterkte te komen en dat in het rapport is vermeld dat voor bijna alle machines geldt dat geen of weinig ruimte beschikbaar is in het verticale vlak om ruimte te maken voor bijvoorbeeld het plaatsen van trillingdempers. Het trillingrapport bevat voorts geen berekeningen ter dimensionering van funderingen, dempers of machineframes, zodat gezien het vorenstaande onzeker is of de benodigde maatregelen kunnen worden getroffen. Gezien het vorenstaande mocht verweerder naar het oordeel van de Afdeling ten tijde van het bestreden besluit niet op grond van dit rapport aannemen dat de inrichting na de termijn van 24 maanden na inwerkingtreding van de vergunning zou kunnen voldoen aan de in voorschrift J.2 gestelde trillingnormen. Hij heeft in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten.

2.2.5.    Ten behoeve van het in- en uitschakelen van de kollergang wordt in voorschrift J.1 afgeweken van de in tabel 8 van de Handreiking bij gebiedstype 2 vermelde waarde voor A3 (grenswaarde voor de trillingsterkte over de beoordelingsperiode Vperiode). Verweerder motiveert deze afwijking door te wijzen op de omstandigheden dat het slechts een tijdelijke situatie betreft en dat de inrichting uiteindelijk aan de in tabel 8 van de Handreiking vermelde waarden zal kunnen voldoen. Nu, zoals uit het vorenstaande blijkt, onvoldoende zeker is dat de in voorschrift J.2 gestelde normen zullen kunnen worden nageleefd, is reeds hierom de motivering van verweerder voor het tijdelijk toestaan van een afwijking van tabel 8 van de Handreiking niet deugdelijk. Het besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.2.6.    Aangezien het bestreden besluit niet in stand kan blijven op punten die bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de vergunning zoals deze is aangevraagd kan worden verleend, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 1 februari 2005, kenmerk 2004/38874;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,47 (zegge: negenendertig euro en zevenenveertig cent); het dient door de provincie Limburg aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 138,00) (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

288.