Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200502884/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Texel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 juni 2004, nr. 8 het bestemmingsplan "'t Zouteland, Den Hoorn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502884/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Texel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 juni 2004, nr. 8 het bestemmingsplan "'t Zouteland, Den Hoorn" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 04-38952, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 31 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2005, appellant sub 2 bij brief van 31 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2005, appellant sub 3 bij brief van 1 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2005, appellant sub 4 bij brief van 31 maart 2005, ingekomen bij de Raad van State op 8 april 2005, en appellant sub 5 bij brief van 7 april 2005, ingekomen bij de Raad van State op 8 april 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1, 2 en 4. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2005, waar appellant sub 5 in persoon, verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam en de gemeenteraad vertegenwoordigd door drs. H. de Ruiter, ambtenaar van de gemeente zijn verschenen.

Appellanten sub 1 tot en met sub 4 zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen        

Overgangsrecht

2.1.       Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.  

Toetsingskader

2.2        Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.  

    De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende marges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.      

Standpunt appellanten

2.3.       Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het voorliggende bestemmingsplan. Zij voeren aan dat het plangebied van betekenis is als foerageergebied voor lepelaars en wijzen op de Flora- en faunawet (hierna Ffw). Zij zijn tevens van mening dat het provinciale beleid ten aanzien van woningbouw bij Den Hoorn op een onjuiste wijze tot stand is gekomen en stellen dat er geen behoefte is aan de voorziene woningen. Voorts vrezen zij dat het plan een ernstige aantasting van het landschap en het woon- en leefklimaat met zich zal brengen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] voeren ten slotte aan dat de voorziene woningen ten onrechte zijn voorzien in een aanvliegroute van het vliegveld "de Kooy".    

Het bestreden besluit

2.4.       Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft het in zoverre goedgekeurd. Verweerder is van mening dat er geen vaste rust- of verblijfplaatsen en fourageermogelijkheden van lepelaars worden verstoord. Strijd met het provinciale beleid doet zich volgens verweerder niet voor en de behoefte aan de woningen is volgens hem voldoende aangetoond.

Hij is voorts van mening dat een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten en het landschap zich als gevolg van het plan niet voordoen. Voorts heeft hij gesteld dat het gemeentebestuur een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en na een gedegen afweging tot vaststelling van het plan is gekomen. De gemeente heeft ontheffing gevraagd op basis van artikel 75 van de Ffw. Met betrekking tot het vliegverkeer van en naar vliegveld "de Kooy" heeft verweerder geen ruimtelijke beletselen van betekenis gesignaleerd.      

Vaststelling van de feiten

2.5.      Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.   Appellanten sub 1 tot en met 4 wonen aan de Naalrand en appellant sub 5 aan de Mokweg, allen in Den Hoorn. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw te ontwikkelen woongebied gelegen ten zuiden van het dorp Den Hoorn, deels gelegen tussen de Mokweg en de Stolpweg. Er is gestreefd naar een aansluiting bij de bestaande dorpsbebouwing. Thans hebben appellanten aan de achterzijde van hun woningen uitzicht op grasland. De dichtstbijzijnde woningen zijn voorzien op ongeveer 40 meter afstand van hun woningen.

2.5.2.   Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

2.5.3.   Het plangebied heeft geen beschermde status. Naar aanwezigheid van beschermde inheemse diersoorten is onderzoek gedaan. Het betreft het onderzoek "Toetsing aan de natuurwetgeving en quickscan van beschermde flora en fauna in het plangebied "'t Zouteland te Den Hoorn, Texel" van het onderzoeksbureau "Bureau Waardenburg bv, adviseurs voor ecologie en milieu" van 1 maart 2004. Uit dit onderzoek blijkt dat op en rond het plangebied geen broedvogels voorkomen. Ook is het plangebied volgens dit onderzoek niet in gebruik als belangrijk foerageergebied of rustgebied voor vogels. De lepelaar wordt wel eens in de sloten rond het plangebied waargenomen. Dit gebeurt echter bij hoge uitzondering en de sloten vormen geen belangrijk foerageergebied voor deze soort.

2.5.4.   Vast staat dat de bouw van de negentien woningen bij Den Hoorn is opgenomen in de partiële herziening van het Streekplan Noord-Holland Noord van 2001.

2.5.5.   In de plantoelichting staat dat er tot 2010 op Texel een behoefte is aan ongeveer 600 woningen. Aan het voorliggende plan ligt een uitvoerig onderzoek naar andere mogelijke locaties ten grondslag. Hierbij zijn 11 andere locaties beoordeeld op landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische aspecten.

2.5.6.   Het vliegveld "de Kooy" ligt bij Den Helder. Niet in geding is dat de te bouwen woningen buiten de geluidzones van dit vliegveld zijn voorzien.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.      Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde inheemse diersoorten van het "Bureau Waardenburg b.v." zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het besluit niet had mogen baseren. Uit het verhandelde ter zitting en uit een op 10 juni 2005 ontvangen schrijven van de gemeente Texel is gebleken dat het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ontheffing heeft verleend ingevolge artikel 75 van de Ffw. Voorts is van de zijde van de gemeenteraad gesteld dat kan worden voldaan aan de aan de ontheffing verbonden voorwaarden.

De Afdeling acht het niet aannemelijk dat in het plangebied vaste rust- of verblijfplaatsen voor vogels aanwezig zijn. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft bezien of het plan uitvoerbaar is zonder dat daarbij in strijd wordt gehandeld met het bepaalde in de Ffw. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat dit het geval is.

2.6.1.  In hetgeen appellanten hebben aangevoerd tegen de totstandkoming van het provinciale beleid zoals neergelegd in onder meer de partiële herziening van het streekplan Noord-Holland Noord bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid onredelijk is. Voorts is niet gebleken dat het plan in strijd is met het provinciale beleid.

2.6.2.   Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling aannemelijk dat in de kern Den Hoorn behoefte is aan 44 woningen. Daarmede staat de behoefte aan de19 woningen die voorzien zijn in dit plan voldoende vast.

2.6.3.   Verder is niet gebleken dat het vliegveld "de Kooy" in de weg staat aan de bouw van de voorziene woningen. Hierbij acht de Afdeling van belang dat niet is gebleken van risico's voor de locatie in Den Hoorn en dat de bouw van deze woningen niet zal leiden tot het ontstaan van risico's. Voorts is van betekenis dat dit vliegveld nabij Den Helder ligt op vele kilometers afstand van het plangebied.

2.6.4.   Vast staat dat het uitzicht aan de achterzijde van de woningen van appellanten als gevolg van het plan aanzienlijk zal veranderen. Gelet op het feit dat de dichtstbijzijnde te bouwen woningen zijn voorzien op een afstand van 40 meter van de woningen van appellanten en gelet op de geringe omvang van de voorziene woonwijk is de Afdeling echter van oordeel dat van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake is. Evenmin is een ernstige aantasting van het landschap te verwachten, aangezien de te bouwen woningen direct aansluitend aan de bestaande bebouwing van de kern zijn voorzien en niet is gebleken dat het plangebied grote landschappelijke waarden heeft.

2.6.5.   Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten sub 1 tot en met sub 5 hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.6.6.   Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

178-178.