Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200502656/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Zutphen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 mei 2004, het bestemmingsplan "Sportcomplex 't Meijerink" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/394
JOM 2007/89
OGR-Updates.nl 1001144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502656/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Zutphen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Zutphen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 mei 2004, het bestemmingsplan "Sportcomplex 't Meijerink" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 februari 2005, kenmerk RE2004.67522, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.J.R.M. Nelissen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Zutphen, vertegenwoordigd door ing. H.S. Zuethoff, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.1.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het bestemmingsplan "Sportcomplex 't Meijerink" (hierna: het plan) beoogt te voorzien in de aanleg van een sportcomplex ten zuiden van de woonwijk Leesten en in een actualisering van het planologische regime voor de edelmanwoning 't Meijerink.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Sportterreinen -R(s)-". Zij voeren hiertoe aan dat de bestemming niet past binnen het provinciale beleid inzake stedelijke uitloopgebieden. Voorts stellen appellanten dat de vaststelling van het plan ten onrechte niet is voorafgegaan door het opstellen van een milieueffectrapport (hierna: MER) en dat de opgestelde m.e.r.- beoordelingsrapportage onvoldoende is. Verder zijn zij van mening dat de waterstaatkundige ingrepen die nodig zijn vanwege de lage ligging van het gebied, de waterhuishouding in het Leestensebroek nadelig beïnvloeden. Volgens appellanten is het plangebied onder meer in het Streekplan 2005 en het Derde Waterhuishoudingsplan als zoekgebied voor waterberging aangewezen. Tevens zullen volgens appellanten de aanwezige flora en fauna verdwijnen. Daarnaast stellen zij dat het gebruik van de sportvelden zal leiden tot overlast in de vorm van licht- en geluidhinder. Voorts zijn appellanten van mening dat de voorziene sportvelden te ver van de stad liggen en dat deze, vanwege de ophanden zijnde fusies van de voetbalclubs in Zutphen, binnenkort overbodig zullen zijn. Tot slot hebben volgens appellanten de boven de beoogde sportvelden gelegen hoogspanningsmasten een negatieve invloed op het menselijke lichaam.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft dit goedgekeurd. Hij heeft hiertoe overwogen dat de aanleg van een sportcomplex niet in strijd is met het provinciale beleid inzake stedelijke uitloopgebieden. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat bij de provinciale beoordeling van plannen voor stuitgebieden, sportvelden telkenmale worden gerekend tot de recreatieve hoofdfunctie. Volgens verweerder is in het verleden op deze wijze invulling gegeven aan het stuitgebied Duiven-Westervoort alsmede het gebied De Woedt. Tevens stelt hij zich met de gemeenteraad op het standpunt dat geen MER behoefde te worden opgesteld voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Voorts stelt verweerder dat de zoekruimten voor waterberging groter zijn dan de uiteindelijke benodigde waterbergingsgebieden. Aangezien slechts een deel van het gehele zoekgebied in het plan als sportterrein is aangemerkt, komt de aanwijzing van het uiteindelijk benodigde bergingsgebied niet in gevaar, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    De gronden van het betreffende plandeel hebben de bestemming "Sportterreinen -R(s)-". Tevens is aan een deel van de gronden van het plandeel de bestemming "Hoogspanningsverbinding -Mn(h)-" toegekend.

   Ingevolge artikel 11, lid A, onder 1, van de planvoorschriften voor zover hier van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangegeven gronden primair bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

   Ingevolge artikel 11, lid A, onder 3, voor zover hier van belang, zijn deze gronden secundair, voor zover zulks op de kaart is aangegeven, bestemd voor doeleinden als omschreven in lid A van artikel 5.

   Ingevolge artikel 5, lid A, onder 1, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart aangewezen gronden bestemd voor sportieve recreatie, met de daarbij behorende gebouwen, tribunes en andere bouwwerken, zoals fietsenstallingen en erven.

2.5.2.    Volgens de plantoelichting is de verwezenlijking van het sportcomplex noodzakelijk in verband met de herstructurering van de binnenstedelijke sportvelden waaronder het complex Helbergen. Verschillende sportverenigingen zullen worden verplaatst naar het sportcomplex 't Meijerink.

2.5.3.    Het plangebied maakt deel uit van het in het streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan) aangewezen stedelijke uitloopgebied van Zutphen en Warnsveld, ook wel stuitgebied genoemd. Het provinciale beleid inzake stuitgebieden is gericht op het ontwikkelen van vormen van openluchtrecreatie. Volgens het streekplan gelden bij de verwezenlijking van stuitgebieden, voor zover hier van belang, de volgende aandachtspunten:

- het ontwikkelen van een zonering met intensief gebruik langs de stadsrand (recreatieve hoofdfunctie) en een meer extensief gebruik op grotere afstand in het agrarische gebied (recreatief medegebruik);

- het primair richten van de ontsluiting op fietsen en wandelen (recreatief medegebruik);

- het zoeken van aansluiting bij de huidige structuur van het landschap;

- de aanleg van bos voor recreatief medegebruik;

- het zoeken van aansluiting met de ecologische hoofdstructuur inclusief verbindingszones.

2.5.4.    Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een MER moet worden gemaakt. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan, indien het bevoegd gezag daartoe besluit, het in de eerste volzin bedoelde MER moet worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 7.8b, vierde lid, van de Wm, worden onder bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid verstaan de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben, gezien:

- de kenmerken van de activiteit;

- de plaats waar de activiteit wordt verricht;

- de samenhang met andere activiteiten ter plaatse;

- de kenmerken van die gevolgen.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit m.e.r. 1994) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wm aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

   In onderdeel D van de bijlage is in categorie 10.1, voor zover hier van belang, bepaald dat de m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden gevolgd in het kader van de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste voorziet in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen, voor zover die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

   Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is door DHV op 15 oktober 2003, kenmerk V2184-60-001, een m.e.r.-beoordelingsrapportage opgesteld. De beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wm, opgenomen criteria. Volgens het rapport zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake is van een m.e.r.-plicht voor het onderhavige plan. Volgens de plantoelichting heeft de gemeenteraad op basis van dit rapport besloten om geen MER op te stellen voor de aanleg van het sportcomplex.

2.5.5.    Ingevolge artikel 8 van de Flora en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

   Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

   Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

   Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

   Ingevolge artikel 75, vierde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, worden vrijstellingen en ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel worden, voor zover hier van belang, onverminderd het vierde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

   In opdracht van het gemeentebestuur is het plangebied onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van (beschermde) flora en fauna. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuuronderzoek 't Meijerink, Zutphen", gedateerd 29 juni 2004. Volgens dit rapport broeden de scholekster, kievit en grutto in het plangebied. Hoewel deze individuen ergens anders een broedgelegenheid moeten vinden, zal de ingreep volgens het rapport, gezien de geringe oppervlakte van het sportcomplex, geen negatief effect hebben op de soorten of op de populatie van de soorten. In het rapport wordt geconcludeerd dat in het plangebied een aantal op grond van de Ffw beschermde zoogdieren, planten, vogels en amfibieën voorkomt. Omdat het plangebied voor een groot deel wordt ontgraven zullen de huidige verblijfplaatsen van de meeste soorten verloren gaan volgens het rapport. Planten die in het plangebied voorkomen, zullen volgens het rapport niet kunnen worden gespaard. Voor alle door de Ffw aanwezige beschermde soorten in het plangebied zal een ontheffing op grond van die wet worden aangevraagd voor de verstoring en vernietiging van het leefgebied.

2.5.6.    In de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen waarin wordt ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf bevat een globale beschrijving van het waterhuishoudkundige systeem binnen het plangebied en het aangrenzende gebied, van de wijze van afvoer van hemelwater alsmede van de mogelijkheid voor (tijdelijke) berging van hemelwater in het plangebied. Daarbij zijn de knelpunten tussen de ruimtelijke bestemmingen en de waterhuishoudkundige functies alsmede de mogelijke oplossingen hiervoor geïnventariseerd.

   Voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft in opdracht van het gemeentebestuur door Arcadis een onderzoek plaatsgevonden naar de hydrologische effecten op het plangebied tengevolge van de aanleg van een sportcomplex. In het rapport, gedateerd 15 maart 1999, kenmerk 104/AD99/1381/yp, wordt geconcludeerd dat het terrein in principe geschikt is voor de aanleg van de sportvelden, maar dat bij de situering van de sportvelden rekening dient te worden gehouden met de bodemgesteldheid van het terrein. Voor een goede ontwatering van de sportvelden zijn waterhuishoudkundige maatregelen nodig, zoals de aanleg van een intensief drainagesysteem, aldus het rapport. Voorts wordt door het graven van een ringsloot om het gehele complex volgens het rapport voorkomen dat het grondwaterpeil buiten het complex wordt verlaagd. In het rapport wordt tot de conclusie gekomen dat door het treffen van zojuist genoemde maatregelen de aanleg van het sportcomplex niet dan wel nauwelijks zal leiden tot effecten op de grondwaterstand in de omgeving.

   Het waterschap Rijn en IJssel onderschrijft in een brief aan het gemeentebestuur van Zutphen, gedateerd 26 november 2002, nr. 02.12593, de conclusies uit het bovengenoemde rapport van Arcadis.

2.5.7.    De gemeenteraad onderkent in de reactie op de ingebrachte zienswijzen dat het gebruik van kunstlicht effecten zal hebben op de omgeving. De gemeenteraad stelt volgens de reactie op de zienswijzen te streven naar een verlichting die zo min mogelijk effecten zal hebben op de omgeving. Hij stelt dat zal worden gezocht naar verlichtingsapparatuur met een minimum aan strooilicht buiten het te verlichten oppervlak. In dat kader is volgens de gemeenteraad van belang dat slechts 5 van de 9 sportvelden zullen worden verlicht.

   Wat betreft het geluidsaspect stelt de gemeenteraad zich in zijn reactie op het standpunt dat de aard van de sportclubs er niet toe zal leiden dat sprake is van geluidsoverlast. Het geluid dat omroepinstallaties mogen produceren is volgens de gemeenteraad genormeerd in het Besluit horeca-, sport-, en recreatieinrichtingen milieubeheer.

   In de op 6 november 2003 ondertekende intentieovereenkomst tussen de gemeente Zutphen, de Vereniging Natuurmonumenten, de Gelderse Milieufederatie, de GLTO en de Bond Heemschut, staat dat maatregelen worden genomen om de lichthinder naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen.

2.5.8.    De afstand tussen de perceelsgrens van het sportcomplex, waar lichtmasten zijn toegestaan, en de dichtstbijzijnde woning bedraagt ongeveer 140 meter.

2.5.9.    Volgens de stukken loopt door het plangebied een hoogspanningsverbinding van 380 kilovolt. Verweerder stelt zich met de gemeenteraad in de reactie op de zienswijzen op het standpunt dat gezien de verblijfsfrequentie, de duur en de huidige inzichten, door de hoogspanningsleidingen geen nadelige effecten zijn te verwachten voor het menselijke lichaam. Volgens de reactie op de ingebrachte zienswijzen zijn diverse onderzoeken verricht naar de schadelijkheid van hoogspanningsleidingen maar zijn de conclusies niet gelijkluidend. Vooralsnog is naar de mening van verweerder en gemeenteraad niet wetenschappelijk aangetoond dat hoogspanningsleidingen schadelijk zijn voor de gezondheid. Appellanten hebben het RIVM rapport

"Plannen voor nieuwbouwwoningen bij bovengrondse hoogspanningsleidingen", kenmerk 610150004/2003, overgelegd. In het rapport wordt geconcludeerd dat een mogelijk verhoogd risico op kinderleukemie zou optreden bij blootstelling aan magnetische velden met een veldsterkte boven ongeveer 0,4 µT.

2.5.10.    Het Streekplan Gelderland 2005 is door provinciale staten vastgesteld op 29 juni 2005. Het Derde Waterhuishoudingsplan is vastgesteld op 15 december 2004 en met ingang van 14 februari 2004 in werking getreden.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Besluiten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan dienen te worden genomen met inachtneming van het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dat besluit. Op dezelfde wijze dient verweerder rekening te houden met het beleid, zoals het streekplan, dat op het moment van de besluitvorming van toepassing is. Het door appellanten bedoelde streekplan Gelderland 2005 en het Derde Waterhuishoudingsplan waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in werking getreden, zodat verweerder het plandeel hier terecht niet aan heeft getoetst.

2.6.1.    Vast staat dat het plandeel onderdeel uitmaakt van het provinciale stedelijke uitloopgebied. Blijkens overweging 2.5.3. is het beleid ten aanzien van deze gebieden, gericht op de ontwikkeling van vormen van openluchtrecreatie. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling is voorts van oordeel dat een sportcomplex kan worden aangemerkt als een recreatieve functie in de zin van het streekplan. Gelet hierop heeft verweerder terecht overwogen dat de aanleg van de sportvelden niet in strijd is met het provinciale beleid inzake stedelijke uitloopgebieden. Dat de gronden in het bestemmingsplan "Buitengebied-Zuid" een landschappelijke bestemming hadden maakt dit niet anders, nu in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

2.6.2.    Niet in geding is dat de gronden onderdeel zijn van een gevoelig gebied als bedoeld in het Besluit m.e.r.1994. Vast staat dat het plan de aanleg van een sportcomplex van circa 11 hectare mogelijk maakt zodat, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.4., een m.e.r.-beoordeling diende te worden uitgevoerd in het kader van de vaststelling van het plan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door DHV opgestelde m.e.r.-beoordelingsrapportage zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door DHV opgestelde m.e.r.-beoordelingsrapportage ten grondslag kon worden gelegd aan de m.e.r.-beoordeling. Wat betreft de stelling van appellanten dat de m.e.r.-beoordelingsprocedure gevolgd had moeten worden door het opstellen van een MER, overweegt de Afdeling dat in de m.e.r-beoordelingsrapportage tot de conclusie wordt gekomen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor sprake is van een m.e.r.-plicht. Evenmin kunnen in het rapport "Natuuronderzoek 't Meijerink, Zutphen" aanknopingspunten worden gevonden om in dit geval bijzondere omstandigheden aan te nemen, onverlet hetgeen in 2.6.5. wordt overwogen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot een ander oordeel. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat het opstellen van een MER voorafgaande aan de vaststelling van het plan niet noodzakelijk was.

2.6.3.    Blijkens rechtsoverweging 2.5.6. dient voor een goede ontwatering van de sportvelden een aantal waterhuishoudkundige maatregelen te worden getroffen. Gelet op het door Arcadis opgestelde en door het waterschap Rijn en IJssel onderschreven rapport, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het treffen van zojuist genoemde maatregelen leidt tot nadelige beïnvloeding van de waterhuishouding in de wijk Leestensebroek.

2.6.4.    Niet in geding is dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.7., het gebruik van lichtmasten effect heeft op de omgeving. Verweerder heeft zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat de lichtemissie naar de omgeving zal worden tegengegaan door te kiezen voor verlichtingsapparatuur met een minimum aan strooilicht. De Afdeling heeft geen reden om te veronderstellen dat geen voorzieningen kunnen worden getroffen om de lichthinder beperkt te houden. Hierbij betrekt de Afdeling de afstand die in het plan wordt aangehouden tussen die delen van het sportcomplex waar verlichting is toegestaan en de in de nabijheid gelegen woningen. Voorts staat eveneens vast dat de aanleg van het sportcomplex zal leiden tot geluidseffecten op de omgeving. Gelet evenwel op de grote afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en het voorziene sportcomplex heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke geluidsoverlast beperkt zal zijn.

2.6.5.    Ten aanzien van het betoog van appellanten dat in het plangebied diverse planten- en diersoorten aanwezig zijn die worden beschermd op grond van de Ffw overweegt de Afdeling het volgende. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in de procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voorzover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit het in overweging 2.5.5. genoemde natuuronderzoek blijkt dat voor de verstoring en vernietiging van het leefgebied van alle door de Ffw beschermde aanwezige soorten in het plangebied een ontheffing op grond van die wet zal worden aangevraagd. Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat verweerder heeft bezien of het plandeel zonder daarbij in strijd te handelen met het bepaalde in de Ffw uitvoerbaar is, dan wel, zo van deze strijdigheid moet worden uitgegaan, op basis van de onderzoeksgegevens omtrent de in het plangebied aanwezige soorten voldoende heeft onderzocht of op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing op grond van de Ffw zal kunnen worden verleend. In die afweging dient verweerder nadrukkelijk de relevante ontheffingscriteria te betrekken. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en inzichtelijk heeft gemaakt of redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing op grond van de Ffw zal kunnen worden verleend.

2.6.6.    Niet in geding is dat de gronden van het plangebied deels de (dubbel)bestemming "Hoogspanningsverbinding -Mn(h)-" hebben. Ten aanzien van de door appellanten gevreesde gezondheidsrisico's als gevolg van de straling stelt de Afdeling vast dat appellanten zich daarbij baseren op een door hen ingebracht rapport inzake woningbouw. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.9. en het verhandelde ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat niet wetenschappelijk is aangetoond dat hoogspanningsleidingen schadelijk zijn voor de gezondheid en dat het rapport inzake woningbouw niet ter zake doet vanwege het feit dat het plan niet in woningbouw doch in de aanleg van een sportcomplex voorziet. In aanmerking genomen dat bij sportvelden met de daarbij behorende gebouwen, evenals bij woningen, mensen gedurende langere tijd verblijven, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bedoelde rapport niet ter zake doet en daarmee de indruk gewekt dat het bezwaar van appellanten op dit punt niet meetelt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom voorbij kan worden gegaan aan het bedoelde rapport.

2.6.7.    Gelet op al het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover aan het plandeel met de bestemming "Sporttereinen -R(s)-" goedkeuring is verleend, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Hetgeen appellanten overigens met betrekking tot het plandeel hebben aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

2.7.    Verweerder dient in beginsel in de proceskosten te worden veroordeeld, doch niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 1 februari 2005, RE2004.67522, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Sportterreinen -R(s)-";

III.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

178-500.