Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200503081/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) appellant geweigerd ontheffing te verlenen tot het innemen en hebben van een ligplaats voor zijn woonschip in de Bruine Wetering te Jacobswoude langs de westelijke oever aan het perceel, kadastraal bekend gemeente Woubrugge, sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503081/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/172 van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 februari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) appellant geweigerd ontheffing te verlenen tot het innemen en hebben van een ligplaats voor zijn woonschip in de Bruine Wetering te Jacobswoude langs de westelijke oever aan het perceel, kadastraal bekend gemeente Woubrugge, sectie […], nummer […].

Bij besluit van 5 maart 2003 heeft het college appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven om het woonschip uiterlijk binnen zes weken na 5 maart 2003 te verwijderen.

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college het tegen de besluiten van 4 en 5 maart 2003 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2005, verzonden op 25 februari 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door E.P. Blaauw, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Eijk, vergezeld van D. de Grave, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland (hierna: de VWP) is het, voor zover hier van belang, de eigenaar van een woonschip of een bedrijfsvaartuig - ongeacht het bepaalde in artikel 2.4.1. van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland - verboden daarmee ligplaats in te nemen of aan te leggen in de watergebieden.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de VWP kan, voorzover hier van belang, het college van het in artikel 12 vervatte verbod schriftelijk ontheffing verlenen. De ontheffing geldt uitsluitend voor de ontheffinghouder en is aan zijn persoon gebonden.

   Ingevolge artikel 26 van de VWP mag een ontheffing alleen worden geweigerd:

a. op grond van storing of ontsiering van het landschap;

b. op grond van aantasting van het type, het karakter of de schaal van het landschap;

c. op grond van aantasting van het natuurlijk milieu;

d. ter bescherming van terreinen of wateren van ecologische, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve of toeristische waarden;

e. op grond van gehele of gedeeltelijke onbruikbaarmaking van een watergebied voor de ecologische infrastructuur of de recreatie;

f. op grond van belemmering van de recreatie op, in en bij het water, of

g. op grond van belemmering van het in goede banen leiden van vormen van recreatie op, in en bij het water.

   Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien  de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het provinciebestuur uitvoert.

   Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de provincie hem eerder, tijdens de verbouwing van zijn schip, had kunnen waarschuwen dat zijn schip daar illegaal lag. Het was appellant ter ore gekomen dat het betreffende gebied niet meer de aandacht van de provincie had met  betrekking tot de te beschermen belangen van de VWP en om die reden heeft appellant niet eerder de aanvraag tot ontheffing ingediend.

2.2.1.    De door appellant aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van de inhoud van de VWP en het ter uitvoering daarvan door de provincie gevoerde saneringsbeleid. Met een woonschip ligplaats innemen in de watergebieden van de provincie zonder ontheffing valt onder het verbod van artikel 12, eerste lid, van de VWP. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de in het verleden verleende ontheffing persoonsgebonden was. Die ontheffing is krachtens artikel 25, eerste lid, van de VWP vervallen. Mitsdien heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de gevolgen van het maken of hebben van een voorziening zonder dat daarvoor ontheffing is verleend voor risico van appellant dienen te blijven. Afgezien hiervan is, uit hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht, niet gebleken dat van de zijde van de provincie zodanige toezeggingen zijn gedaan dat een beroep op het vertrouwensbeginsel gerechtvaardigd zou zijn.

2.3.    Voorts bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van gelijke gevallen aangezien in de nabijheid van zijn woonschip veertien andere vaartuigen liggen, waarvan slechts vier een ontheffing hebben. Tegen de andere tien vaartuigen is de provincie niet opgetreden en volgens appellant zal de provincie daartegen ook niet optreden.

2.3.1.    Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Voor zover appellant hiertoe heeft gewezen op de in de nabijheid van zijn schip gelegen woonschepen, kan naar het oordeel van de Afdeling met de rechtbank geen sprake zijn van met elkaar te vergelijken gevallen omdat het woonschepen betreft die daar al van oudsher liggen en waarvoor ontheffing is verleend en het college bij wisseling van eigenaar van de woonschepen het voornemen heeft niet een ontheffing te verlenen aan een eventuele volgende gebruiker van die woonschepen. Voor zover appellant heeft gewezen op de in de nabijheid van zijn schip gelegen pleziervaartuigen, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de pleziervaartuigen evenmin gelijke gevallen betreffen, nu deze daar al van oudsher liggen en deze bij wisseling van eigenaar en/of gebruiker na verloop van een overgangstermijn zullen worden verwijderd. Het betoog van appellant dat het hier gaat om steeds wisselende pleziervaartuigen doet hier niet aan af, nu niet is gebleken dat het steeds andere vaartuigen betreft.

2.4.    Hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, is een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft daarin terecht geen grond gezien voor gegrondverklaring van het beroep.

2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

   Met de rechtbank is de Afdeling niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van toepassing van bestuursdwang had behoren af te zien.

2.6.    Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

91-497.