Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200503008/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 1998 heeft de gemeenteraad van Maastricht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 maart 1998, het bestemmingsplan "Amby 1993, 1e herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/4075 met annotatie van mr. F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503008/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 1998 heeft de gemeenteraad van Maastricht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 maart 1998, het bestemmingsplan "Amby 1993, 1e herziening" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 november 1998, kenmerk 98/48304M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij haar uitspraak van 22 januari 2001, no. E01.99.0051/1, heeft de Afdeling het besluit van verweerder gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2005/5842, voor zover nodig, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij faxbericht van 5 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 juli 2005 (verder: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. P.W.H.J. Donners en mr. M.G.I.A. van Haastert-Allertz, advocaat te Maastricht, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.R. Boer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.H.A. Jans, K. Jans en K. Coenen, ambtenaren van de gemeente, en ir. R.G.P. van Hooy, en namens [partij], mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.1.1.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    Appellante voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord over het rapport "Aanvulling op akoestisch onderzoek naar Limpens Tuning Center in verband met beschouwing impulsachtig geluid", kenmerk RHO/2003.1306-1/BCA, van 12 november 2004 van Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs B.V., dat verweerder van de gemeente heeft ontvangen nadat de hoorzitting over de bedenkingen was gehouden.

Dienaangaande wordt overwogen dat appellante door verweerder in de gelegenheid is gesteld tot het geven van een mondelinge toelichting op de ingediende bedenkingen. De Wet op de Ruimtelijke Ordening bevat geen voorschriften omtrent het in de gelegenheid stellen een reactie te geven op informatie die verweerder nadien bij het gemeentebestuur inwint. Ook overigens bestaat geen wettelijke plicht voor verweerder om in voorkomend geval appellante te horen. In verband met de door verweerder in acht te nemen zorgvuldigheid bij het voorbereiden van het besluit kan daartoe onder omstandigheden echter wel aanleiding bestaan.

Niet gebleken is van omstandigheden waarin verweerder in dit geval aanleiding had moeten zien hiertoe over te gaan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat genoemd rapport niet doorslaggevend is geweest voor de inhoud van het bestreden besluit.

2.3.1.    Het bezwaar van appellante dat het rapport ten onrechte niet is toegezonden of met het bestreden besluit ter inzage is gelegd, heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.3.2.    Uit het voorgaande volgt dat deze bezwaren van appellante geen doel treffen.

Standpunt appellante

2.4.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen B" en de aanduidingen "goothoogte van hoofdgebouwen maximaal 6 meter (II)" en "gesloten bebouwing (G)" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het perceel [locatie 1]. Volgens appellante biedt het plan in zoverre ten onrechte de mogelijkheid om direct ten oosten van haar perceel [locatie 2] twee patiowoningen te bouwen. Zij vreest daardoor met het oog op geluid-, trillings-, stof- en geurhinder in de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van haar garagebedrijf ter plaatse te worden beperkt en betwist de conclusies van de in dit kader door Cauberg Huygen Raadgevende Ingenieurs BV opgestelde rapporten, waaronder het haar door verweerder in april 2005 alsnog toegezonden rapport van 12 november 2004. Daartoe stelt zij dat in deze rapporten geen rekening is gehouden met hetgeen het plan mogelijk maakt zowel wat betreft uitbreidingsmogelijkheden van haar bedrijfsvoering als de bouwmogelijkheden op het aangrenzende perceel [locatie 1]. Voorts stelt zij dat bij de voorbereiding van het plan van onjuiste geluidnormen voor haar bedrijfsvoering is uitgegaan. Bovendien is ten onrechte geen onderzoek verricht naar geur- en stofhinder, aldus appellante. Tenslotte voert appellante aan dat haar bedrijfsvoering moet worden aangemerkt als een categorie-3-bedrijf zoals bedoeld in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 1999 (verder: de VNG-brochure) en dat in deze VNG-brochure een afstand van 100 meter tussen dergelijke bedrijven en een rustige woonwijk wordt aanbevolen.

Standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2001 het desbetreffende plandeel opnieuw goedgekeurd. Hij  heeft zich onder meer op grond van de uitkomsten van genoemde rapporten op het standpunt gesteld dat de bouw van de woningen op genoemd perceel voor de bedrijfsvoering van appellante geen beperkingen zal opleveren. Daarbij heeft verweerder gesteld dat het garagebedrijf van appellante als categorie-2-bedrijf moet worden aangemerkt.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Appellante exploiteert onder meer een garagebedrijf op het perceel [locatie 2] dat grenst aan het perceel [locatie 1].

2.6.2.    Het plan, voor zover hier van belang, betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Amby 1993" en maakt de bouw van twee patiowoningen op het zuidwestelijke deel van het perceel [locatie 1] mogelijk. Deze woningen kunnen tegen de grens van het perceel waarop de bedrijfsvoering van appellante plaatsvindt worden gebouwd. Blijkens de stukken ligt een gedeelte van de bedrijfsbebouwing van appellante tegen deze grens aan.

2.6.3.    Bij haar uitspraak van 22 januari 2001 heeft de Afdeling overwogen dat verweerder op ondeugdelijke gronden het standpunt heeft ingenomen dat de in geding zijnde woningbouw niet tot een voor appellante bezwaarlijke beperking van de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van haar bedrijf zal leiden, en dat verweerder dusdoende ten onrechte deze woningbouw ruimtelijk aanvaardbaar heeft geacht. Daarbij heeft zij de VNG-brochure betrokken. Voor zover hier van belang heeft zij daarbij het volgende overwogen:

   "Ook het gemeentebestuur en verweerders achten de VNG-brochure van belang, zo maakt de Afdeling onder meer op uit het feit dat van het plan deel uitmaakt een staat van bedrijfsactiviteiten die nauw aansluit bij deze brochure. Volgens de VNG-brochure wordt een autoherstelbedrijf zonder tectyleerderij aangemerkt als een categorie-2-bedrijf, waarbij als indicatie een afstand van 30 meter tot woningen van derden wordt gehanteerd. Indien het autoherstelbedrijf wel beschikt over een tectyleerderij of er plaatwerk wordt verricht dan wordt dit bedrijf aangemerkt als een categorie-3-bedrijf, waarbij als indicatie een afstand van 100 meter tot woningen van derden wordt gehanteerd. Mede gezien het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, kan het garagebedrijf van appellanten, afhankelijk of er getectyleerd of plaatwerk wordt verricht worden aangemerkt als een categorie-2- dan wel categorie-3-bedrijf."

2.6.4.    Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat in het garagebedrijf van appellante onder meer autoplaatwerkzaamheden worden uitgevoerd. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat deze werkzaamheden plaatsvinden in de werkplaats van appellante die op de perceelgrens staat met de gronden waarop de bouw van twee patiowoningen is voorzien.

2.6.5.    Blijkens de VNG-brochure vallen autoplaatwerkerijen in categorie 3 en wordt een afstand van 100 meter aanbevolen tussen een rustige woonwijk en autoplaatwerkerijen.

De VNG-brochure heeft een indicatief en globaal karakter en dient als hulpmiddel bij het ontwerpen van een bestemmingsplan. Zoals onder meer is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 1997, nr. E01.94.0433 (BR 1997, blz. 830) moet een afwijking van deze indicatieve afstanden worden gemotiveerd.

2.6.6.    Het plan voorziet voor het bedrijfsperceel van appellante in de bestemming "Wonen B" met onder meer de aanduiding "bestaand bedrijf (BB)".

Ingevolge artikel 5, lid 3.2, onder g, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, van het bestemmingsplan "Amby 1993" mogen op deze gronden bedrijfsgebouwen worden opgericht tot een bebouwingspercentage van maximaal 70.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat 50% van het perceel van appellante is bebouwd.

De in het plan opgenomen bestemmingsregeling staat niet in de weg aan het uitvoeren van autoplaatwerkzaamheden op het perceel van appellante.

2.6.7.    Uit het ter zitting aan de orde gekomen bouwplan blijkt dat de bouw van de twee patiowoningen op het zuidwestelijke deel van het perceel [locatie 1] grenzend aan de bedrijfsbebouwing van appellante is beoogd.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Zoals onder 2.6.4. overwogen, vinden autoplaatwerkzaamheden plaats in de bedrijfsbebouwing op het perceel van appellante. Hieruit volgt, gelet op overweging 2.6.5., dat het garagebedrijf van appellante als een categorie-3-bedrijf als bedoeld in de VNG-brochure moet worden aangemerkt. Hiervoor wordt met het oog op het binnen aanvaardbare normen houden van geluidhinder een afstand van 100 meter tot een rustige woonwijk aanbevolen. Niet in geding is dat het plangebied in een rustige woonwijk ligt.

Voorts overweegt de Afdeling dat het plan niet in de weg staat aan deze autoplaatwerkzaamheden en dat het plan de bouw van woningen tegen de bedrijfsbebouwing van appellante mogelijk maakt.

Het plan wijkt derhalve in zeer sterke mate af van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de gebruiksmogelijkheden die appellante op grond van de bestemmingsregeling op haar perceel heeft in samenhang met de omstandigheid dat de voorziene patiowoningen tegen de bedrijfsbebouwing van appellante kunnen worden aangebouwd, acht de Afdeling een goed woon- en leefklimaat in deze woningen niet gewaarborgd.

Hieruit volgt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, gelet op de daarin mogelijk gemaakte woningbouw grenzend aan het garagebedrijf van appellante op het zuidwestelijk deel van het perceel [locatie 1], voor de bedrijfsvoering van appellante geen bezwaarlijke beperkingen zal opleveren.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bedrijf van appellante nog uitbreidingsmogelijkheden heeft en dat appellante heeft aangegeven haar bedrijfsvoering wat betreft de autoplaatwerkzaamheden te willen uitbreiden.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen B" en de aanduidingen "goothoogte van hoofdgebouwen maximaal 6 meter (II)" en "gesloten bebouwing (G)" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het perceel [locatie 1] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

2.7.1.    Uit het voorgaande volgt dat wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen B" en de aanduidingen "goothoogte van hoofdgebouwen maximaal 6 meter (II)" en "gesloten bebouwing (G)" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het perceel [locatie 1] er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht hieraan goedkeuring te onthouden.

Proceskosten

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

De door appellante in haar specificatie opgegeven kosten voor de door een deskundige opgestelde akoestische onderzoeksrapporten en de aanwezigheid en bijstand van de deskundige ter zitting, dienen op grond van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht op de in dit besluit genoemde wijze forfaitair te worden vastgesteld.

Overigens is van belang dat, zoals volgt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763), een kostenveroordeling niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 8 februari 2005, kenmerk 2005/5842;

III.    onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Wonen B" en de aanduidingen "goothoogte van hoofdgebouwen maximaal 6 meter (II)" en "gesloten bebouwing (G)" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het perceel [locatie 1];

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.331,94 (zegge: duizend driehonderdeenendertig euro en vierennegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Limburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

208-447.