Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8425

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200504521/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

j besluit van 29 maart 2005, kenmerk 2732, heeft verweerder aan de [vergunninghouder] gedeeltelijk geweigerd een vergunning te verlenen en gedeeltelijk vergunning verleend, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voor het veranderen van een vleeskalverenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 20 april 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504521/1.

Datum uitspraak: 21 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2005, kenmerk 2732, heeft verweerder aan de [vergunninghouder] gedeeltelijk geweigerd een vergunning te verlenen en gedeeltelijk vergunning verleend, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voor het veranderen van een vleeskalverenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 20 april 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2005, waar appellant, vertegenwoordig door mr. P.J.G. van der Donck, advocaat te Houten, en verweerder, vertegenwoordigd door P. Baas, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Bij wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), in werking getreden op 1 december 2005, is de Wet milieubeheer gewijzigd. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.2.    Ter zitting heeft appellant de beroepsgrond inzake cumulatieve stankhinder ingetrokken.

2.3.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellant heeft de grond inzake het aankopen van ammoniakrechten niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4.    Bij besluit van 5 augustus 1980 heeft verweerder een revisievergunning als bedoeld in de Hinderwet verleend voor een veehouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], voor het houden van 592 vleeskalveren, 10 fokkalveren, 2 paarden, 8 melkkoeien en 10 legkippen.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd een vergunning te verlenen voor het houden van 95 vleeskalveren en 6 vleesstierkalveren en vergunning verleend voor het houden van 243 vleeskalveren van 0-8 maanden, 756 vleesstierkalveren van

0-6 maanden en 11 paarden.

2.5.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer (oud) komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6.    Appellant stelt onaanvaardbare stankhinder te vrezen. In dit verband voert hij in het bijzonder aan dat verweerder de beoordeling van individuele stankhinder onvoldoende gemotiveerd heeft en dat hij de bestaande rechten, voor zover aanwezig, niet juist heeft beoordeeld. Voorts betoogt hij dat het verplaatsen van het emissiepunt niet garandeert dat op andere plaatsen geen emissie plaatsvindt.

2.6.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de individuele stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) toegepast, voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de afstandseisen betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

   Blijkens de stukken ligt de dichtstbijzijnde woning op een afstand van 50 meter van het dichtst bij deze woning gelegen emissiepunt. Niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan de ingevolge de Richtlijn geldende afstandseis. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een aantal mestvarkeneenheden dat niet toeneemt ten opzichte van de onderliggende vergunning. Verder is de afstand tussen het emissiepunt en de stankgevoelige objecten niet afgenomen. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de vergunning van 5 augustus 1980 is komen te vervallen. Bovendien is er blijkens de stukken sprake van mechanisch geventileerde stallen waarvan de werking zodanig is dat niet gevreesd hoeft te worden dat emissie op andere plaatsen dan het emissiepunt plaatsvindt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vergunningverlening, wat betreft de stankhinder, kan worden gerechtvaardigd met een beroep op bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.7.    Appellant stelt onaanvaardbare geluidhinder te vrezen. Hij betoogt dat een geluidmeting noodzakelijk is om te beoordelen of aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

   Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder, voor zover hier van belang, hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

   In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, zoals het geval is in de gemeente Nunspeet, bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen. In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving, waarvan in het onderhavige geval sprake is en welke kwalificatie door appellanten niet is bestreden, gelden als richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   In voorschrift D1 heeft verweerder grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Hij heeft hierbij aangesloten bij de in de Handreiking gestelde richtwaarden voor een landelijke omgeving. In voorschrift D2 heeft verweerder geluidgrenswaarden gesteld voor het piekgeluidniveau. Deze waarden overschrijden de volgens de Handreiking ten hoogst aanvaardbare piekgeluidgrenswaarden niet.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift D1 en D2 gestelde grenswaarden toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van onaanvaardbare geluidhinder.

   Wat de naleefbaarheid van de voorschriften betreft ziet de Afdeling, gelet op de aard van de inrichting en de omvang van de vergunde activiteiten, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de in voorschriften D1 en D2 gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Dit beroepsonderdeel treft daarom evenmin doel.

2.8.    Voor zover appellant heeft gesteld dat de ammoniakdepositie niet op de juiste manier is berekend is de Afdeling van oordeel dat, wat daar ook van zij, verweerder de vergunning terecht niet heeft geweigerd nu de inrichting niet in een kwetsbaar gebied dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij, is gelegen en de inrichting niet onder de reikwijdte van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging valt.

2.9.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de aankoop van ammoniakrechten betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005

312-492.