Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU8424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
200509331/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2005 heeft verzoeker sub 1(hierna: het college) met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan verzoeker sub 2 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een schuur/opslagruimte op het perceel kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie en nummer(s) […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509331/2.

Datum uitspraak: 13 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Slochteren,

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/416 en 05/1177 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 29 september 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

verzoeker sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2005 heeft verzoeker sub 1(hierna: het college) met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan verzoeker sub 2 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een schuur/opslagruimte op het perceel kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie en nummer(s) […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar, voor zover van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2005, verzonden op 30 september 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 8 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2005, en [verzoeker sub 2] bij brief van 10 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2005, heeft het college de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 1 december 2005, waar het college, vertegenwoordigd door R. Mienstra en T. Auwerda, ambtenaren van de gemeente, en [verzoeker sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. H.A. Wieringa, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Uitgangspunt is dat een besluit uitvoerbaar is, ook als daartegen rechtsmiddelen zijn aangewend.

   Uit de aangevallen uitspraak is niet af te leiden dat het besluit van 27 september en het besluit van 25 februari 2005 door de voorzieningenrechter zijn geschorst. De voorzieningenrechter heeft geen toepassing gegeven aan de hem in dit verband ter beschikking staande bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. De omstandigheid dat de voorzieningenrechter heeft overwogen geen aanleiding te zien de eerder ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht getroffen voorlopige voorziening op te heffen, maakt dat niet anders, nu die voorziening ingevolge artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van die wet is vervallen. [verzoeker sub 2] is dus gerechtigd te bouwen.

2.3.    Gelet hierop heeft [verzoeker sub 2] geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Van een spoedeisend belang van het college is evenmin gebleken. De verzoeken moeten derhalve worden afgewezen.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [wederpartij] te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst de verzoeken af;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Slochteren tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehondertweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Slochteren aan hen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2005

378.