Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200505156/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft de gemeenteraad van Vught, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 augustus 2004, het bestemmingsplan "Schoonveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505156/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft de gemeenteraad van Vught, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 augustus 2004, het bestemmingsplan "Schoonveld" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 april 2005, no. 1038056, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Vught en appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2005, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door P.M.A. van Beek, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Vught, vertegenwoordigd door W.J.F.M. Croonen, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Het beroep van appellant is onder meer gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen -G-" dat betrekking heeft op zijn perceel, kadastraal bekend no. […], en dat ligt achter het perceel [locatie].

Appellant heeft bezwaren tegen de motivering waarmee verweerder goedkeuring heeft onthouden. Volgens hem had verweerder goedkeuring dienen te onthouden omdat het plandeel ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid het perceel te betrekken bij een eventuele uitbreiding van het naastgelegen schoolcomplex van het Maurickcollege aan de Titus Brandsmalaan 1 of in de mogelijkheid zijn perceel voor bedrijfsmatige activiteiten aan te wenden.

2.2.1.    Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Uit de strekking van voornoemde bepalingen vloeit voort dat het beroep tegen een onthouding van goedkeuring slechts ontvankelijk is voor zover door de onthouding van goedkeuring een ongunstiger situatie is ontstaan voor de rechtzoekende.

2.2.2.    De Afdeling stelt vast dat van een ongunstiger situatie voor appellant ten gevolge van de onthouding van goedkeuring door verweerder geen sprake is. Vast staat dat het ontwerpplan de door appellant beoogde gebruiksmogelijkheden voor zijn perceel immers niet toeliet. Zoals blijkt uit de stukken heeft appellant weliswaar in het kader van de inspraakprocedure met betrekking tot het voorontwerp van het voorliggende plan een reactie gegeven op dit voorontwerp, doch hij heeft geen zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het plan ingediend. Van feiten en omstandigheden welke aanleiding geven tot het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest zich met een zienswijze tot de gemeenteraad te wenden, is de Afdeling niet gebleken.

   Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellant in zoverre niet-ontvankelijk is.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant maakt bezwaar tegen het bebouwingspercentage en de bouwhoogte die het plan voor het Maurickcollege mogelijk maakt. Appellant vreest dat hierdoor de lichtinval op en het uitzicht vanaf zijn perceel worden beperkt.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel dat betrekking heeft op het Maurickcollege in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft het goedgekeurd. Vanuit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik kan verweerder instemmen met de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden op het perceel van het Maurickcollege. Gezien de maximaal toegelaten bouwhoogte in samenhang met de afstand tot de omliggende bebouwing en functies, is volgens verweerder geen sprake van een onaanvaardbare situatie.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de hierna als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    De plantoelichting vermeldt dat het plan onderdeel uitmaakt van een grootschalige bestemmingsplanherziening waarbij de voor de bebouwde kom van Vught geldende bestemmingsplannen worden geactualiseerd. Het plan is een beheersplan waarbij de binnen het plangebied geldende bestemmingen en de bestaande situatie als uitgangspunt zijn genomen.

2.6.2.    Het perceel van appellant grenst aan de oostzijde van het perceel waarop het Maurickcollege staat. Dit perceel van het Maurickcollege heeft de bestemming "Maatschappelijke doeleinden -M-" en het bouwvlak mag ingevolge de plankaart voor maximaal 75% worden bebouwd met gebouwen van maximaal 15 meter hoog. De verwachting is dat de school, indien deze wordt uitgebreid, op het huidige perceel zal uitbreiden in de hoogte. Het perceel waarop de school staat, wordt grotendeels omgeven door percelen met een sportbestemming, groenbestemming en in beperkte mate door percelen met een woonbestemming of bedrijfsbestemming. Het perceel van appellant wordt gebruikt als paardenweide.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Gezien de omgeving van het perceel waarop het Maurickcollege staat en het gebruik van het perceel van appellant, zoals is beschreven in overweging 2.6.2, acht de Afdeling het standpunt van verweerder ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel van het Maurickcollege niet onredelijk. Aan de in beroep tegen de bebouwingsmogelijkheden aangevoerde bezwaren behoefde verweerder in redelijkheid geen overwegende betekenis toe te kennen.

2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, voor zover ontvankelijk, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van appellant is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover betreft het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen -G-" dat betrekking heeft op het perceel, kadastraal bekend no. 3841;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

177-482