Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200501479/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) aan appellant geweigerd bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor de bouw van een woning met aangebouwde garage op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501479/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/149 van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) aan appellant geweigerd bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor de bouw van een woning met aangebouwde garage op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 januari 2005, verzonden op 21 januari 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Het daartegen door appellant bij de rechtbank ingediende beroepschrift is door de rechtbank ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

Bij brief van 5 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.A.H. Stam, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Plassengebied, eerste herziening" rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Woongebied, villa's - Wv -".                Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen in vrijstaande woningen alsmede voor verkeer en parkeren, groenvoorzieningen, doeleinden van openbaar nut en handhaven van doorzichten vanaf de dijken op de plassen.

   Artikel 6.3 luidt - voor zover thans van belang - als volgt:        "Op deze gronden mag één hoofdgebouw worden gebouwd - op het bouwperceel waar op de kaart een cirkel is aangegeven -, met dien verstande dat:

   a. (…)                                        b. bij een oppervlak van het bijbehorend bouwperceel kleiner dan 1000 m² het bebouwd oppervlak - inclusief alle bijgebouwen - maximaal 120 m² mag bedragen;                                    c. bij een oppervlak van het bijbehorend bouwperceel groter dan 1000 m² het bebouwd oppervlak - inclusief alle bijgebouwen - maximaal 160 m² mag bedragen;                                    d. de goothoogte en de nokhoogte maximaal 3,50 m en 8,00m mogen bedragen;                                        (…)".

   Artikel 6.8 luidt als volgt:                            "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd - gehoord de raadscommissie grondgebiedzaken - vrijstelling te verlenen van het bepaalde:

    a. in lid 6.3 onder c, voor een bebouwd oppervlak - inclusief alle bijgebouwen - van maximaal 200 m² voor bouwpercelen met een grondoppervlak groter dan 1000 m², mits een afstand tot één van de zijdelingse perceelgrenzen van minimaal 10,00 m in acht wordt genomen dan wel elders op het perceel een strook tussen dijk en oever met een breedte van minimaal 10,00 m van bebouwing wordt vrijgehouden;            b. in lid 6.3 onder d, voor een nokhoogte van maximaal 10,00 m over ten hoogste 25% van de op te richten bebouwing bij een vrijstelling conform lid 6.8 sub a".

   Ingevolge artikel 1.2.6 wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond (land) waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

   Ingevolge artikel 1.2.7 wordt onder perceelsgrens verstaan: een grens van een bouwperceel.                        Ingevolge artikel 1.2.8 wordt onder voorste perceelsgrens verstaan: de grens van een bouwperceel, gelegen aan de weg waaraan wordt gebouwd, tenzij door burgemeester en wethouders een andere perceelsgrens als zodanig wordt aangewezen.

2.2.    Niet in geschil is dat het bebouwd oppervlak van de woning met aangebouwde garage 170 m² is en de nokhoogte hoger is dan 8,00 m. Vast staat derhalve dat indien het bouwperceel kleiner is dan 1000 m² het bestemmingsplan zich tegen de beoogde bouw verzet.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een juiste methode heeft gehanteerd bij het berekenen van het oppervlak van zijn bouwperceel en het bouwplan terecht heeft beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 6.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het oppervlak van de aan het bouwperceel grenzende, openbare weg meegerekend had moeten worden en dat het oppervlak van het bouwperceel derhalve groter is dan 1000 m². Daarbij wijst appellant erop dat, nu de weg "De Kreek" op de plankaart niet als zodanig is aangeduid/gearceerd, deze weg niet, althans niet zonder meer, als voorste perceelsgrens kan gelden.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college bedoelde weg terecht niet bij de berekening van het oppervlak van het bouwperceel heeft betrokken. Uit artikel 1.2.8 in samenhang met artikel 1.2.6 en 1.2.7 van de planvoorschriften volgt, dat de grens van een bouwperceel loopt tot aan de weg waaraan wordt gebouwd, hetgeen betekent dat die weg niet tot het bouwperceel kan behoren. Dat de weg op de plankaart niet als zodanig is gearceerd, doet daaraan niet af. In de planvoorschriften is geen bepaling opgenomen waaruit volgt dat slechts gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor "Wegverkeer en parkeren -Vw-", als weg in de zin van artikel 1.2.8 kunnen gelden. Niet in geschil is dat ter plaatse feitelijk een weg ligt, die overigens ook op de plankaart staat ingetekend.

2.4.    Appellant heeft betoogd dat het college voorheen in vergelijkbare gevallen de weg wel meetelde bij berekening van het oppervlak van het bouwperceel. Daarbij heeft hij, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, gewezen op de bouwvergunning die is verleend voor de woning met botenhuis op het perceel De Kreek 23. Ook dat betoog faalt. Dat het college in het door appellant genoemde geval en wellicht ook in andere gevallen het desbetreffende voorschrift onjuist heeft toegepast, betekent niet dat het college daarin dient te volharden. Ook ten aanzien van de overigens in dit verband door appellant genoemde algemene rechtsbeginselen geldt dat een beroep daarop niet kan leiden tot het verlenen van een bouwvergunning in strijd met de wet. De rechtbank is dan ook terecht hierop niet nader ingegaan.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de vraag of op basis van de door hem genoemde algemene rechtsbeginselen vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gerechtvaardigd is.

2.5.1.    Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd omdat het college naar haar oordeel ten onrechte niet is ingegaan op de door appellant opgeworpen bezwaren tegen de weigering een vrijstelling als vorenbedoeld te verlenen. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien in de door appellant gewenste zin vooruit te lopen op het door het college te nemen nieuwe besluit.

2.6.    Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het college opnieuw beslist op het door appellant gemaakte bezwaar en daarbij de weigering bouwvergunning en vrijstelling te verlenen, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

2.8.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. Niet in geschil is dat aan de wettelijke vereisten voor toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid is voldaan en aldus medewerking aan het bouwplan zou kunnen worden verleend. Het college is daartoe echter niet bereid, omdat zulks in strijd is met zijn terzake van de uitoefening van zijn bevoegdheid gevoerde beleid, zoals vermeld in de nota "Beleid artikel 19, lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening". Volgens artikel 3, tweede lid, onder c, van dat beleid - voor zover thans van belang - mag de goot- en of nokhoogte van een aan- en of uitbouw in de voortuin niet meer bedragen dan 4,00 m. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwplan voorziet in een ten dele in de voortuin gesitueerde aan- en of uitbouw en dat de nokhoogte daarvan 6,00 m bedraagt.

2.9.    Het college heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd, terecht geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding kunnen geven af te wijken van voormeld beleid. Van een toezegging van een ambtenaar van de gemeente dat de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning, niettegenstaande het gevoerde beleid, zou worden verleend, is niet gebleken. Dat het college in het geval De Kreek 23 het oppervlak van het bouwperceel op onjuiste wijze heeft berekend, kan evenmin aan dat beleid afdoen. Het college heeft derhalve door te verwijzen naar het gevoerde beleid de weigering toepassing te geven aan artikel 19, derde lid, van de WRO voldoende gemotiveerd.

2.10.    Aangezien het college, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, vanwege het door hem voorgestane planologische beleid medewerking aan de bouwplannen van appellant mocht onthouden, komt aan het beroep op andere vrijstellingsmogelijkheden - wat daar verder ook van zij - geen zelfstandige betekenis toe.

2.11.    Voorts heeft het college het verzoek om vergoeding van de kosten van het maken van bezwaar terecht afgewezen, aangezien van een herroeping van het besluit van 25 april 2003 geen sprake is. Vergoeding van de desbetreffende kosten op grond van enkel artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht is dan niet mogelijk.

2.12.    Het beroep van appellant tegen het besluit van het college van 8 februari 2005 is ongegrond.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het tegen het besluit van het college van 8 februari 2005 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

53-494.