Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200500542/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat (hierna: het college) het verzoek van appellanten sub 1 om handhavend op te treden tegen de door appellant sub 2 aangebrachte beplanting bestaande uit bomen en struiken op de percelen kadastraal bekend gemeente Balk, sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de percelen), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500542/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/4004 van de rechtbank Leeuwarden van 9 december 2004 in het geding tussen:

appellanten sub 1

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gaasterlân-Sleat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat (hierna: het college) het verzoek van appellanten sub 1 om handhavend op te treden tegen de door appellant sub 2 aangebrachte beplanting bestaande uit bomen en struiken op de percelen kadastraal bekend gemeente Balk, sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de percelen), afgewezen.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellanten sub 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 1 ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voor zover dat ziet op de weigering van het college handhavend op te treden ter zake van de beplanting op perceel […].

Bij uitspraak van 17 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de Afdeling het door appellanten sub 1 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2004 vernietigd en het besluit van het college van 18 juni 2002 vernietigd.

In de vergadering van 9 maart 2004 heeft het college de bezwaren van appellanten sub 1 tegen het besluit van 7 maart 2002 gegrond verklaard, welk besluit bij brief van 17 maart 2004 is verzonden, en besloten handhavend op te treden tegen de beplanting langs de perceelsgrens op de percelen […] en […], indien en voor zover deze beplanting een breedte heeft van meer dan 4,50 meter.

Bij uitspraak van 9 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 1 ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2005, en appellant sub 2 bij brief van 17 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 28 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. G. Folmer, en appellant sub 2 in persoon, bijgestaan door mr. M.D. Kalmijn, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant sub 2 heeft langs de westelijke rand van het perceel nr. […], onder meer ter hoogte van de woning van [appellant sub 1], beplanting met bomen en struiken aangebracht, variërend in breedte tussen 4 en 5 meter met een totale lengte van ongeveer 37 meter. Langs de zuidkant van het perceel nr. […] heeft appellant sub 2, onder meer ter hoogte van de woning van [appellant sub 1], beplanting met bomen en struiken aangebracht, in breedte variërend tussen 10 en 16 meter en met een totale lengte van ongeveer 65 meter.

2.2.    Op de percelen nrs. […] en […] rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bargebek" de bestemming "Cultuurgrond".

   Ingevolge artikel 10, onder A, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor cultuurgrond, met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken, zulks met inachtneming van de aan deze gronden toegekende landschappelijke waarden, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de toelichting.

   Hoofdstuk 3 van de toelichting bevat de elementen die de ruimtelijke structuur van Bargebek kenmerken. In dit hoofdstuk staat ten aanzien van de landschappelijke elementen het volgende vermeld:

"Bijna alle gebouwen grenzen direct aan het open landschap. Vanaf de weg zijn er enerzijds enige doorkijkjes tussen de bebouwing naar het lager gelegen open en weidse landschap rond het Slotermeer en is er anderzijds het half-open coulisselandschap ten zuiden van de Jachtlustwei. Tamelijk veel erven worden omzoomd door boomsingels."

   Een van de uitgangspunten voor de verdere ontwikkeling van Bargebek, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de toelichting, is dat bestaande kenmerken van de ruimtelijke structuur behouden moeten blijven.

   Ingevolge de begripsbepalingen wordt onder Cultuurgrond verstaan:

   "Volkstuinen, moestuinen, grasland, akkerbouw- en tuinbouwgebieden, met uitzondering van bosgronden."

   Ingevolge artikel 18, onder A, van de planvoorschriften is het verboden binnen het in het bestemmingsplan begrepen gebied, de gronden en gebouwen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met hetgeen hieromtrent is bepaald in de bestemmingen die in het plan aan de gronden zijn toegekend.

2.3.    Bij uitspraak van 17 december 2003, in zaak nr. 200302632/1, heeft de Afdeling het besluit van het college van 18 juni 2002 vernietigd, waarbij de bezwaren van appellanten sub 1 tegen de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen de beplanting met bomen en struiken, ongegrond zijn verklaard. Appellanten sub 1 betoogden in die zaak dat alle aanwezige beplanting, dus ook de beplanting met een breedte tot (ongeveer) 5 meter, in strijd is met de bestemming "Cultuurgrond".

    De Afdeling heeft als volgt overwogen:

"Dit betoog slaagt. In de omschrijving van het begrip "Cultuurgrond" zijn bosgronden uitdrukkelijk uitgezonderd. Dit betekent, gelet ook op het in de toelichting beschreven (open) karakter van het landschap, dat beplanting van de cultuurgrond met bomen en struiken, zoals op de percelen nrs. [...] en [...], waardoor hoge en dichte bosschages of bosjes (zullen) ontstaan, niet als passend binnen de bestemming "Cultuurgrond" kan worden aangemerkt. Een zodanige beplanting strekt verder dan de omzoming of afscheiding van een perceel of erf met een boomsingel. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de op de percelen aangebrachte beplanting in strijd moet worden geacht met de bestemming "Cultuurgrond", zodat het college zich ten onrechte niet bevoegd heeft geacht om daartegen op te treden."

   Op grond hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat het college met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.

2.4.    Bij de thans bestreden beslissing op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003, het door het college ingewonnen advies van het adviesbureau mr. B.M. Visser & Partners, Juridisch Raadgever Natuur, Bos en Landschap (hierna: Visser & Partners) van 23 februari 2004, en daarbij de totale oppervlakte van de percelen [...] en [...] en de betreffende beplanting in samenhang met de omgeving in ogenschouw nemend, de beplanting langs de percelen met een maximale breedte van 4,50 meter, niet in strijd is met de bestemming "Cultuurgrond" en daarbij passend is in de omgeving. Derhalve heeft het college besloten alleen handhavend op te treden tegen de beplanting langs de perceelsgrenzen op de percelen, indien en voorzover de beplanting een breedte heeft van meer dan 4,50 meter.

2.5.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit genoemde uitspraak van de Afdeling valt af te leiden, zoals ook door het college is gedaan, dat ten behoeve van de omzoming van de percelen [...] en [...] slechts een boomsingel is toegelaten. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de conclusie van het college dat een boomsingel met een breedte van maximaal 4,50 meter als passend binnen de bestemming "Cultuurgrond" kan worden beschouwd, niet gerechtvaardigd is. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij de beoordeling of en in hoeverre de beplanting ter plaatse aan de bestemming "Cultuurgrond" voldoet, niet kan worden volstaan met de toepassing van een enkelvoudig criterium als de breedte van de beplanting, maar dat daartoe het totaalbeeld in ogenschouw moet worden genomen. Door enkel de breedte van de beplanting in aanmerking te nemen heeft het college miskend dat dit niet verhindert dat door beplanting met bomen en struiken hoge en dichte bosschages en bosjes (zullen) ontstaan, hetgeen in strijd is met de bestemming. De rechtbank concludeert vervolgens dat de beplanting niet kan worden bestempeld als een boomsingel, nu geen sprake is van een min of meer regelmatige rij (loof-)bomen die het verloop van de erf- of perceelsgrens volgt. Appellanten betwisten dit oordeel van de rechtbank.

2.5.1.    Het betoog van appellanten sub 1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat ten behoeve van de omzoming van de percelen slechts een boomsingel is toegelaten, waarbij volgens appellanten sub 1 een onjuiste uitleg wordt gegeven aan de eerdere uitspraak van de Afdeling.

    Daartoe is aangevoerd dat op de onderhavige percelen ook een boomsingel die niet strekt tot afscheiding van het erf van appellant sub 2, de beschermingswaardige karakteristieke openheid van het landschap en het uitzicht op het Slotermeer en het omliggende gebied zal aantasten. Daarbij is erop gewezen dat zich in het agrarisch gebied met open landschap, waarvan de percelen [...] en [...] deel uitmaken en dat begrensd wordt door het Slotermeer, de Ee, de Luts, de Wikelerdyk en de Jachtlustwei, op ruim honderd percelen met bestemming "Cultuurgrond" welgeteld twee houtwallen en enkele solitaire struiken en bomen bevinden. De beide houtwallen, die zijn bestemd tot "Structureel groen", liggen op zodanige afstand van de voor het publiek toegankelijke wegen dat het uitzicht op het lagere gelegen gebied en op het Slotermeer slechts in geringe mate belemmerd wordt, aldus appellanten sub 1.

   Door appellant sub 2 is gemotiveerd betoogd dat de geldende bestemming landbouwactiviteiten mogelijk maakt, dat het aanleggen van een boomsingel met die bestemming in overeenstemming is en dat er geen aanleiding is alleen een enkele rij bomen aanvaardbaar te achten. Naar appellant sub 2 verder betoogt is de procedure in eerste aanleg niet zorgvuldig geweest, omdat de rechtbank enkel is afgegaan op door appellanten sub 1 overgelegde foto's en tekeningen, die volgens appellant sub 2 een vertekend beeld geven van de situatie ter plekke, en heeft nagelaten, ondanks het daartoe gedane verzoek van zowel het college als appellant sub 2, de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen.

2.5.2.    De Afdeling overweegt als volgt. Uit artikel 10, onder A, van de planvoorschriften volgt dat, gelet op de in de toelichting omschreven landschappelijke waarden, die volgens deze bepaling in acht moeten worden genomen, op gronden met de bestemming "Cultuurgrond" het open karakter van het landschap behouden moet blijven, zoals ook in de eerdere uitspraak van de Afdeling tot uitdrukking is gebracht. Hieraan moet iedere vorm van beplanting voldoen, waarbij aannemelijk is dat beplanting, strekkende tot omzoming van een perceel of tot afscheiding van een erf, in de vorm van een boomsingel die wordt aangelegd in de onmiddellijke nabijheid van een bestaand erf met (woon-)bebouwing, minder aanleiding zal geven voor het oordeel dat daarmee het open karakter wordt aangetast dan indien sprake is van een omzoming daarmee van onbebouwde cultuurgronden.

   Hoewel door appellanten sub 1 op zich terecht is voorgedragen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003 niet is af te leiden dat slechts een boomsingel is toegelaten, kan dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Door de rechtbank is met juistheid overwogen dat het college niet kan volstaan met een enkelvoudig criterium als de breedte van de beplanting, maar dat daartoe het totaalbeeld in ogenschouw moet worden genomen. Het betoog van appellanten sub 1 dat de rechtbank heeft miskend dat de schadelijke effecten van een enkele rij bomen die het verloop van de erf- of perceelsgrens volgt, op het open landschap niet anders zal zijn dan die van bosjes of bosschages, slaagt dan ook niet. Een enkele rij bomen kan immers zodanig worden aangelegd dat doorkijkjes naar het lager gelegen open en weidse landschap rond het Slotermeer mogelijk zijn of blijven. Een dergelijke rij bomen is dan ook niet op één lijn te stellen met hoge en dichte bosjes of bosschages, die het open karakter aantasten.

   Gelet hierop slaagt het hoger beroep van appellant sub 2, voor zover dat ten betoge strekt dat een verdergaande beplanting dan een enkele rij bomen aanvaardbaar moet worden geacht, evenmin.

   Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep kan voorts niet met succes worden staande gehouden dat de rechtbank op basis van onvolledige of onjuiste gegevens over de situatie ter plaatse  uitspraak heeft gedaan. De bevoegdheid, die de rechtbank op grond van artikel 8:50, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft om een onderzoek ter plaatse in te stellen, is van discretionaire aard. In dit geval is er geen grond om te oordelen dat de rechtbank niet in redelijkheid toepassing van deze bepaling achterwege heeft kunnen laten.

2.6.    De hoger beroepen van appellanten zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

53-488.