Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200410353/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Aalten het bestemmingsplan "Zuidelijke Rondweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410353/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2] (verder: [appellanten sub 2]), wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Aalten het bestemmingsplan "Zuidelijke Rondweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 november 2004, kenmerk RE2004.57303, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 20 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2004, en appellanten sub 2 bij faxbericht van 29 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 30 december 2004 en 7 maart 2005. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 10 januari 2005, 7 februari 2005 en 15 april 2005.

Bij brief van 16 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 juni 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, appellanten sub 2, in de persoon van [appellanten] en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. A.M.H. van Vugt, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door drs. K.A. Overdiep en G.J. van de Vooren, beiden ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de herinrichting van de Wikkerinkweg alsmede in de ontwikkeling van een nieuw natuurgebied. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Aalten.

Het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" en de aanduiding "poel"

Standpunt [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2]

2.4.    [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden". Ook stellen zij dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "poel" op voornoemd plandeel.

Appellanten stellen onder meer dat het agrarisch gebruik van de omliggende agrarische bedrijven, waaronder het bedrijf van [appellanten sub 1], zal worden beperkt omdat de poel beschermde diersoorten zal aantrekken. De aanleg van een poel maakt volgens appellanten voorts inbreuk op de landschappelijke waarde van het gebied. De op het plandeel voorziene natuur kan verder niet als compensatie gelden voor de natuur die ten gevolge van de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van een industrieterrein is verdwenen. Volgens [appellanten sub 1] is de in het plan opgenomen bestemming "Bos met ecologische waarden" onverenigbaar met de aanduiding "poel".

Standpunt verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" en de aanduiding "poel" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel en de aanduiding goedgekeurd. Verweerder acht de locatie van het natuurgebied en de poel zeer geschikt. Het verdwijnen van natuur ten behoeve van de rondweg en de aanleg van een industrieterrein wordt met de verwezenlijking van het plandeel en de aanduiding volgens verweerder ruimschoots gecompenseerd. De inbreuk op de natuurwaarden door het plandeel en de aanduiding is volgens verweerder beperkt.

Verweerder stelt verder dat het plandeel, mede gezien de afstand van het plandeel tot het bedrijf van [appellanten sub 1], geen extra nadelige invloed zal hebben op hun bedrijfsvoering.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" ligt in het westen van het plangebied, ten zuiden van de in het plan voorziene weg. Dit plandeel heeft volgens het deskundigenbericht een oppervlakte van ongeveer 1,9 hectare. Op een deel van dit plandeel geldt de aanduiding "poel".

2.6.2.    Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Bos met ecologische waarden" bestemd voor de bescherming van landschapswaarden, de houtproductie, alsmede de extensieve dagrecreatie. Daar waar dat als zodanig op de plankaart is aangegeven zijn de gronden bestemd voor de aanleg van een poel. De bescherming van de landschapswaarden vormt de primaire functie, de overige functies zijn hieraan ondergeschikt, aldus het planvoorschrift.

2.6.3.    Op de gronden met de bestemming "Bos met ecologische waarden" is volgens het gemeentebestuur onder meer voorzien in de compensatie van natuur die elders moet verdwijnen. Een deel van de voorziene natuur dient ter compensatie van het groen dat verdwijnt ten gevolge van de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van een buiten het plangebied gelegen industrieterrein, aldus de plantoelichting. Op het plandeel wordt volgens het gemeentebestuur 4318 m2 bos aangeplant. Verder zal volgens de plantoelichting een poel worden aangelegd met een oppervlakte van 2276 m2. Met de aanleg van een poel wordt beoogd een extra natuurwaarde te creëren. In de toelichting is vermeld dat de in het plan neergelegde locatie vanwege de grondwatertrap zeer geschikt is voor de aanleg van een poel. Voor de verwezenlijking van het plandeel en de aanduiding dient een bestaande houtopstand gekapt te worden. Gezien de omvang van de houtopstand, het feit dat deze langs de Wikkerinkweg ligt en in de nabijheid van woningen, mag volgens de plantoelichting aangenomen worden dat ter plaatse slechts algemeen voorkomende dier- en plantensoorten aanwezig zullen zijn.

In het deskundigenbericht is vermeld dat het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" betrekking heeft op gronden met enige landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden.

2.6.4.    Bij brief van 6 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten aan de Afdeling het volgende bericht:

"Wij hebben besloten het inrichtingsplan voor de poel te wijzigen. In plaats van het aanleggen van de poel, waarvoor de aanlegvergunning was verleend, komt er een open natuurterrein met voornamelijk kruidachtige begroeiing. Hiervoor is geen aanlegvergunning vereist. (…)

Ons heroverwegingsbesluit tot wijziging van het inrichtingsplan heeft ook gevolgen voor de realisering van de bestemming poel zoals deze is opgenomen in het door gedeputeerde staten goedgekeurde bestemmingsplan "Zuidelijke Rondweg" (…). De in dit bestemmingsplan op de kaart aangeduide poel zal niet worden gerealiseerd. Gelet op de bezwaren tegen de aanleg en de bestemming van de poel in het kader van dit bestemmingsplan, kan dit van invloed zijn op de behandeling van het beroep tegen het bestemmingsplan "Zuidelijke Rondweg"."

2.6.5.    [appellanten sub 1] zijn eigenaar van ruim 3,68 hectare gronden nabij het plangebied. In het deskundigenbericht is vermeld dat de bedrijfsactiviteiten tot ongeveer 2001 bestonden uit een rundveehouderij. Tot de beëindiging van de agrarische activiteiten in 2004 werden de gronden gebruikt voor het oogsten van hooi. Een groot deel van de gronden zal op korte termijn worden verpacht. De gronden van [appellanten sub 1] liggen volgens het deskundigenbericht op een afstand van ongeveer 120 meter van het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden".

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Uit de in overweging 2.6.4 genoemde brief van het college van burgemeester en wethouders van 6 april 2005 is gebleken dat de poel op het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" niet zal worden gerealiseerd. Ter zitting is door de gemeenteraad bevestigd dat op het plandeel geen poel zal worden aangelegd. Ter zitting is gebleken dat zowel verweerder als het gemeentebestuur om deze reden afzien van het voeren van verweer tegen de in de beroepschriften neergelegde bezwaren tegen de aanduiding "poel". Daaruit volgt, en de Afdeling ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, dat de aanduiding moet worden geacht in strijd met een goede ruimtelijke ordening te zijn en derhalve ten onrechte te zijn vastgesteld en goedgekeurd, waarmee is gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "poel" en de zin "Daar waar als zodanig op de plankaart is aangegeven zijn de gronden bestemd voor de aanleg van een poel" in artikel 4 van de planvoorschriften.

Uit het voorgaande volgt tevens dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de aanduiding "poel" op het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" en voornoemde zin in artikel 4 van de planvoorschriften. Gelet op de redenen voor onthouding van goedkeuring bepaalt de Afdeling in aanvulling op het bovenstaande en met toepassing van artikel 30, tweede lid, van de WRO dat geen nieuw plan als bedoeld in het eerste lid van dit artikel behoeft te worden vastgesteld.

De bezwaren van appellanten met betrekking tot de aanleg van de poel behoeven gelet op het voorgaande geen nadere bespreking.

2.8.    Blijkens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting wordt met het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" beoogd het verdwijnen van natuur ten gevolge van de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van een buiten het plangebied gelegen industrieterrein te compenseren. Ter zitting is gebleken dat de natuur die verdwenen is teneinde een buiten het plangebied gelegen industrieterrein mogelijk te maken reeds op gronden buiten het plangebied gecompenseerd is. Voor zover op het plandeel een grotere oppervlakte natuur zal worden gerealiseerd dan ten gevolge van de herinrichting van de Wikkerinkweg ter compensatie nodig is, geldt de aanleg van natuur blijkens het gestelde ter zitting volgens het gemeentebestuur als zogenoemde overcompensatie. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van natuur op het plandeel niet kan gelden als compensatie voor het verdwijnen van natuur ten gevolge van de herinrichting van de Wikkerinkweg of ten gevolge van een industriegebied buiten het plangebied.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten behoeve van de verwezenlijking van de bestemming een bestaande houtopstand gekapt dient te worden. Gelet op de omvang van deze houtopstand en het feit dat de kap plaatsvindt ten behoeve van de inrichting van het plandeel als natuurgebied acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de kap van deze bomen een ernstige aantasting van de landschappelijke waarde van de omgeving met zich brengt. Voorts is gezien de omvang van de houtopstand en de ligging naast de Wikkerinkweg niet aannemelijk dat de kap hiervan een ernstige aantasting van de ecologische waarde van het gebied inhoudt. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de landschappelijke waarde van het gebied zal worden aangetast door de verwezenlijking van de bestemming "Bos met ecologische waarden".

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan voornoemd plandeel. De beroepen van

[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] zijn op dit punt ongegrond.

Algemene bezwaren en het plandeel met de bestemming "Weg"

Standpunt [appellanten sub 2]

2.9.    [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Weg". Appellanten stellen daartoe dat geen noodzaak bestaat tot de aanleg van de weg en de ventweg en dat hun gronden door de aanleg van de weg onevenredig worden aangetast. Voorts is er onvoldoende akoestisch onderzoek gedaan, aldus appellanten.

Appellanten stellen verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in verkeersremmende maatregelen op de ventweg.

Ook heeft verweerder volgens appellanten ten onrechte goedkeuring verleend aan de in het plan opgenomen maximale bouwhoogte voor afrasteringen.

Standpunt verweerder

2.10.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Weg" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Verweerder is van mening dat de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van een ventweg noodzakelijk zijn. Verweerder stelt verder dat voldoende akoestisch onderzoek is gedaan.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat de toegestane hoogte voor afrasteringen aanvaardbaar is. Voorts heeft verweerder gesteld dat verkeersmaatregelen niet in een bestemmingsplan hun weerslag kunnen krijgen.

Vaststelling van de feiten

2.11.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.1.    [appellanten sub 2] zijn woonachtig aan de [locatie sub 2]. Hun gronden grenzen aan de huidige Wikkerinkweg. Hun woonperceel heeft volgens het deskundigenbericht een oppervlakte van 10.370 m2. In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat ongeveer 1300 m2 van de gronden van appellanten nodig is voor de aanleg van de parallelweg. In de huidige situatie bedraagt de kortste afstand tussen de woning op het perceel van appellanten en de Wikkerinkweg volgens het deskundigenbericht ongeveer 40 meter. De afstand tussen de voorziene ventweg en de woning bedraagt ongeveer 28 meter, aldus het deskundigenbericht.

2.11.2.    Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Weg" bestemd voor verkeersdoeleinden. Volgens dit voorschrift zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor "Weg", met inachtneming van de op de plankaart opgenomen dwarsprofielen, bestemd voor:

a. wegen, inclusief bermen, sloten, bruggen en voet- en fietspaden;

b. parkeerplaatsen en groenvoorzieningen;

c. openbare nutsvoorzieningen, waaronder -indien nodig- een opstelplaats voor huisvuilcontainers.

Ingevolge de twee dwarsprofielen die op de plankaart staan, worden een hoofdrijbaan en een parallelweg aangelegd.

2.11.3.    In het handboek Wegontwerp van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond, water- en wegenbouw en de Verkeerstechniek (verder: het handboek Wegontwerp) van februari 2002 is vermeld dat voertuigsoorten met grote snelheids- of massaverschillen moeten worden gescheiden en conflicten moeten worden vermeden met tegemoetkomend verkeer en kruisend of overstekend verkeer. Landbouwvoertuigen dienen van een weg met de functie van gebiedsontsluiting met 2 rijstroken te worden geweerd. Het verdient de voorkeur om dit verkeer via alternatieve routes af te handelen, maar als dit niet mogelijk is verdient een paralleloplossing de voorkeur.

2.11.4.    In de plantoelichting is vermeld dat de huidige Wikkerinkweg de functie van ontsluitingsroute niet aan kan en dat de inrichting van de weg aan deze functie aangepast dient te worden. De ontsluiting van het nabijgelegen industrieterrein zal door verbetering en wijziging van de bestaande verkeerssituatie en verkeerscirculatie zoveel mogelijk gericht moeten zijn op aan- en afvoer van zwaar vrachtverkeer. Om dit te bewerkstelligen wordt de Wikkerinkweg verbreed en met een flauwe bocht verbonden aan de weg tussen de Dinxperlosestraatweg en de Wikkerinkweg, aldus de plantoelichting. Ter nadere onderbouwing is in de plantoelichting aangegeven dat vrachtwagens elkaar op de Wikkerinkweg nauwelijks kunnen passeren zonder de berm te gebruiken. De breedte van een vrachtwagen bedraagt gemiddeld 2,70 meter. Derhalve is volgens de plantoelichting een wegbreedte nodig van minimaal 7 meter. Uit de noodzaak de Wikkerinkweg te verbreden vloeit volgens het gemeentebestuur voort dat ook een ventweg moet worden aangelegd. De aanleg van een ventweg is volgens de plantoelichting onder meer noodzakelijk om de veiligheid voor het langzaam verkeer te garanderen en de doorstroom op de hoofdrijbaan te bevorderen. In de plantoelichting is vermeld dat met de voorziene breedte van de Wikkerinkweg wordt aangesloten bij de door het handboek Wegontwerp geadviseerde wegbreedte van 7,20 meter.

Voorts wordt in de plantoelichting opgemerkt dat de noodzaak van de verbreding van de Wikkerinkweg niet afhankelijk is van een eventuele toekomstige aansluiting aan de westelijke randweg, omdat de weg reeds op dit moment te smal is voor vrachtverkeer.

2.11.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat het vrachtverkeer van en naar het industrieterrein gebruik maakt van onder meer de Wikkerinkweg. Het wegprofiel van de huidige Wikkerinkweg bestaat uit één rijbaan voor tweerichtingsverkeer met een verhardingsbreedte van ongeveer 5 meter. Aan weerszijden van de weg staan bomen. De weg wordt volgens het deskundigenbericht voornamelijk gebruik door snel verkeer en (zwaar) vrachtverkeer. Voorts wordt de weg gebruikt door langzaam verkeer zoals (brom)fietsers en landbouwverkeer. Alhoewel exacte cijfers over aantallen niet beschikbaar zijn, mag er gelet op de agrarische gronden langs en in de nabijheid van de Wikkerinkweg van worden uitgegaan dat de Wikkerinkweg met enige regelmaat door landbouwverkeer wordt gebruikt, aldus het deskundigenbericht. Verder is in het deskundigenbericht aangegeven dat de bestaande wegbreedte onvoldoende is voor zwaar (vracht) verkeer om elkaar in tegengestelde richting te passeren.

Ten slotte is vermeld dat de aanleg van een parallelvoorziening uit het oogpunt van verkeersveiligheid bij voorkeur aan de zuidzijde van de Wikkerinkweg zou moeten worden aangelegd. Een ventweg ten noorden van de Wikkerinkweg zou volgens het deskundigenbericht negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid hebben, omdat (brom)fietsverkeer de Wikkerinkweg dan zou moeten kruisen.

Volgens het deskundigenbericht voldoen de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van de ventweg aan het handboek Wegontwerp.

2.11.6.    In de plantoelichting is vermeld dat een akoestisch onderzoek ten behoeve van de verbreding van de Wikkerinkweg en de aanleg van de ventweg noodzakelijk is op grond van de Wet geluidhinder. Het "Akoestisch onderzoek Randweg Aalten, gedeelte Dinxperlosestraatweg-Hamelandroute" van 14 februari 2002 maakt als bijlage onderdeel uit van het bestemmingsplan. Uit dit onderzoek blijkt volgens de plantoelichting dat door de aanleg van de rondweg en de ventweg de verkeersintensiteit toeneemt en daarmee de geluidbelasting voor de gevels van de onderzochte woningen. Er zullen daarom maatregelen worden getroffen aan de bron, aldus de plantoelichting. Voor nieuw aan te leggen weggedeelten zal als toplaag stil asfalt worden aangebracht. Dit asfalt geeft een geluidsreductie aan de bron van 3 tot 8 dB(A). In de geluidsberekeningen is van een reductie van 3 dB(A) uitgegaan. Door de aanleg van stil asfalt zal de geluidbelasting op de gevels van de onderzochte woningen niet toenemen, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Appellanten hebben zich in het beroepschrift wat betreft de bezwaren met betrekking tot het niet opnemen van verkeersremmende maatregelen op de ventweg en de hoogte van afrasteringen beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen en zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Ook voor het overige is niet gebleken dat de weerlegging van de bedenkingen op deze punten onjuist zou zijn.

2.13.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met het plan onder meer beoogd een herinrichting van de Wikkerinkweg mogelijk te maken. In het deskundigenbericht en de plantoelichting is vermeld dat de Wikkerinkweg functioneert als ontsluitingsroute van het nabijgelegen industrieterrein en thans ongeschikt is voor vrachtverkeer. Niet gebleken is dat deze feiten die de gemeenteraad aan de beslissing tot herinrichting van de weg ten grondslag heeft gelegd, onjuist zijn. In dit verband is tevens van belang dat appellanten de juistheid van deze feiten wel betwisten, maar deze stelling niet nader toelichten door het aandragen van gegevens die aanleiding geven aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Verder wordt de Wikkerinkweg volgens het deskundigenbericht thans onder meer gebruikt door (brom)fietsers en landbouwverkeer. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met de aanleg van een ventweg naast de hoofdrijbaan beoogd de verkeersveiligheid voor het langzaam verkeer te garanderen en de doorstroom op de hoofdrijbaan te bevorderen, zoals ook in het handboek Wegverkeer wordt geadviseerd. Volgens het deskundigenbericht is het voorts wenselijk dat de ventweg aan de zuidzijde van de Wikkerinkweg wordt aangelegd. Appellanten betwisten de noodzaak van een ventweg en stellen dat volstaan kan worden met een fietspad nu de Wikkerinkweg niet zou worden gebruikt door landbouwverkeer. Appellanten hebben deze stelling echter onvoldoende onderbouwd.  

Gezien het vorenstaande acht de Afdeling de noodzaak van de herinrichting van de Wikkerinkweg en van de aanleg van een ventweg ten zuiden van de heringerichte Wikkerinkweg voldoende aangetoond.

Vast staat dat uit het plan volgt dat een oppervlakte van ongeveer 1300 m2 van de gronden van appellanten nodig is voor de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van een ventweg. Zoals hierboven is overwogen, acht de Afdeling de noodzaak van deze voorzieningen voldoende aannemelijk. Niet is gebleken van concrete feiten of omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen bij de herinrichting van de Wikkerinkweg en de aanleg van een ventweg zwaarder wegen dan de belangen van appellanten bij het behoud van het desbetreffende deel van hun gronden.

2.14.    Vast staat dat in het kader van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek genaamd "Akoestisch onderzoek Randweg Aalten, gedeelte Dinxperlosestraatweg-Hamelandroute" is uitgevoerd. Appellanten hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit onderzoek onvoldoende zou zijn of zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat verweerder zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren.

2.15.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Weg" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 2] is op dit punt ongegrond.

Proceskosten

2.16.    Gelet op overweging 2.7 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten met betrekking tot het beroep van [appellanten sub 2] te worden veroordeeld.

Met betrekking tot het beroep van [appellanten sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 23 november 2004, RE2004.57303, voorzover het de goedkeuring van de aanduiding "poel" op het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" en de zin "Daar waar als zodanig op de plankaart is aangegeven zijn de gronden bestemd voor de aanleg van een poel" in artikel 4 van de planvoorschriften betreft;

III.    1. onthoudt goedkeuring aan de aanduiding "poel" op het plandeel met de bestemming "Bos met ecologische waarden" en aan de zin "Daar waar als zodanig op de plankaart is aangegeven zijn de gronden bestemd voor de aanleg van een poel" in artikel 4 van de planvoorschriften;

2. bepaalt dat in zoverre geen nieuw plan als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WRO behoeft te worden vastgesteld;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 843,67 (zegge: achthonderddrieënveertig euro en zevenenzestig cent), voor een gedeelte groot €805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan appellanten [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt en aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

178-481.