Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200505270/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Aalten, voorheen gemeente Dinxperlo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 december 2004, het bestemmingsplan "Aaldershuus 2003; [locatie a] (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505270/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Aalten, voorheen gemeente Dinxperlo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 december 2004, het bestemmingsplan "Aaldershuus 2003; [locatie a] (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 mei 2005, nr. RE2004.118716, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2005.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door E. Waterval, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad I.J. van der Hoogte, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde], namens Woningstichting Dinxperlo, gehoord. Appellant is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.1.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het bestemmingsplan

2.2.     Het plan voorziet in een planologische regeling voor de bouw van een bijzondere woonvoorziening op perceel [locatie a] in [plaats]. Daarnaast wordt in het plan de bouw van een vrijstaande woning mogelijk gemaakt.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Volgens appellant wordt de kavel naast zijn woning te intensief bebouwd en is dit niet gangbaar in de woonwijk waarin de kavel gelegen is. Verder betekent de vrijstaande woning die mogelijk wordt gemaakt en de opoffering van de gemeentelijke groenstrook een inbreuk op zijn privacy en een waardevermindering van zijn woning.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Verweerder acht de keuzen van de raad niet onaanvaardbaar.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Appellant woont aan de [locatie b] in [plaats].

2.5.1.    Niet in geschil is dat binnen de gemeente Aalten een tekort bestaat aan woningen die geschikt zijn voor mensen met een handicap. Woningstichting Dinxperlo heeft een bouwaanvraag ingediend voor een woongebouw voor stichting "De Lichtenvoorde". Deze stichting is een regionaal werkende organisatie die passende begeleiding, zorg en hulp biedt aan mensen met een beperking.

2.5.2.    Op het perceel [locatie a] stond een boerderij met bijgebouwen. Zowel de boerderij als deze gebouwen zijn inmiddels gesloopt. Ter vervanging van deze boerderij wordt een nieuwbouwwoning mogelijk gemaakt.

2.5.3.    De gronden van het perceel maken deel uit van het plangebied van het bestemmingsplan "Aaldershuus 1992". Een deel van de voor "Wonen" aangewezen grond is bestemd voor bewoning met daartoe dienende woningen en daarbij behorende bijgebouwen, tuinen, andere bouwwerken en andere werken. En ander deel van de gronden heeft sinds 31 december 1992 de bestemming "Verkeersdoeleinden" en "Groenvoorzieningen". Omdat het initiatief van de stichting "De Lichtenvoorde" in strijd is met dit bestemmingsplan, is voorzien in een partiële herziening.

2.5.4.    Het plan voorziet in de bouw van twee gebouwen:

-een woongebouw op perceel [locatie a] ten behoeve van een bijzondere woonvoorziening bestaande uit zes eenheden voor begeleid wonen en een woon- en leefgemeenschap met 24-uurszorg voor zes bewoners met een handicap;

-een vrijstaande woning, gesitueerd tussen het woongebouw en het perceel [locatie b].

2.5.5.    Het deel van het perceel [locatie a] waar het woongebouw is voorzien heeft de bestemming "Bijzondere woonvorm" en het deel waar de vrijstaande woning is voorzien heeft de bestemming "Open bebouwing I".

2.5.6.    De voorschriften, deel uitmakende van het bestemmingsplan "Aaldershuus 1992", zijn mede van toepassing op het bestemmingsplan "Aaldershuus 2003; [locatie a]", voor zover deze betrekking hebben op de daarin voorkomende bestemmingen "Open bebouwing I", "Voorerf", "Achtererf", "Groenvoorzieningen"en "Verkeersdoeleinden" en dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd, aldus de planvoorschriften.

2.5.7.    Ingevolge artikel 12a, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is de op de kaart voor "Bijzondere woonvorm" aangewezen grond bestemd voor zorgvoorzieningen in een woon- en leefgemeenschap voor begeleid (zelfstandig) wonen. Ingevolge het vierde lid gelden de aanduidingen op de plankaart alsmede, voor zover thans van belang, de bepalingen dat de diepte van de bouwstrook voor het hoofdgebouw gemeten vanaf de voorgevelrooilijn maximaal 45 meter bedraagt, dat de goothoogte en hoogte van het hoofdgebouw respectievelijk maximaal 4 en 10,5 meter bedragen en dat de hoogte van bijgebouwen maximaal 4 meter bedraagt.

2.5.8.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Aaldershuus 1992" is de op de kaart voor "Open bebouwing I" aangewezen grond bestemd voor bewoning met daartoe dienende woningen en daarbij behorende hobbyruimten, bergruimten, carports, garages, tuinen, andere bouwwerken en andere werken. Ingevolge het tweede lid moet bij het bouwen van gebouwen ten dienste van de in het eerste lid genoemde doeleinden worden voldaan aan de eisen dat, voor zover thans van belang, de goothoogte ten hoogste 4 meter mag bedragen en de hoogte ten hoogste 10 meter mag bedragen. De oppervlakte van de nieuwbouwwoning mag blijkens de plankaart ongeveer 10 bij 12 meter  bedragen.

2.5.9.    De Hoor- en adviescommissie Ruimtelijke Ordening (hierna: de commissie) heeft in haar advies en reactie op de zienswijzen van 1 december 2004 onder andere overwogen dat, hoewel het woongebouw wat betreft bouwmassa en situering afwijkt van de bestaande woonbebouwing in de omgeving, er naar de mening van de commissie niettemin sprake is van bewoning in een omgeving met een overwegende woonfunctie. Er kan volgens de commissie niet worden gesproken van conflicterende functies. Voor zover de afwijkende bouwmassa en situering voor omwonenden leidt tot een grotere aantasting van privacy en woongenot dan het geval zou zijn geweest wanneer het perceel zou worden ingevuld met de in die omgeving meer gebruikelijke eengezinswoningen, wordt dat risico door de commissie geacht inherent te zijn aan het wonen in de bebouwde kom. De commissie acht het realiseren van een extra woning naast het perceel [locatie b] in die omgeving op zich een logische ontwikkeling. Bij het ontwerpen van zijn woning mocht appellant er volgens de commissie in redelijkheid niet vanuit gaan dat de bestaande situatie eeuwigdurend zou zijn. Omdat de functie van openbaar groen niet primair het beschermen van de privacy van omwonenden is, worden bewoners volgens de commissie verondersteld op eigen terrein te voorzien in afschermend groen als zij dat zelf noodzakelijk achten ter bescherming van hun privacy. De gemeenteraad heeft op voorstel van de commissie het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.10.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het aannemelijk dat de nieuwbouwwoning, volgens de plankaart voorzien op 12 meter afstand van de zijkant van de woning van appellant, en het opofferen van het openbare pad en de groenstrook, leiden tot een wijziging van het woon- en leefgenot van appellant, waaronder een verminderd uitzicht en een mogelijke afname van privacy. De Afdeling overweegt in dit verband allereerst dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. De gemeenteraad heeft in redelijkheid kunnen aansluiten bij het advies van de commissie dat het bouwen van een vrijstaande woning in de bebouwde kom niet ongebruikelijk is en dat omwonenden worden verondersteld op eigen terrein te voorzien in afschermend groen indien zij dat uit privacyoverwegingen nodig achten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit de plankaart blijkt dat de afstand van de woning van appellant tot de nieuwbouwwoning niet kleiner is dan de afstanden die tussen woningen op verschillende plaatsen in de wijk waar appellant woont, voorkomen.

Het woongebouw ten behoeve van bijzondere woonvormen zal voorts eveneens een wijziging van het uitzicht van appellant met zich brengen. De omstandigheid dat de bij het plan mogelijk gemaakte bouwmassa groter is dan die welke in het plan "Aaldershuus 1992" voor percelen in de directe omgeving is toegelaten, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat het plan daarom onaanvaardbaar is. Bij een herziening van een bestemmingsplan kan immers tot een andere afweging van belangen worden gekomen dan bij de vaststelling van een eerder plan het geval was. Ten aanzien van dit woongebouw heeft de gemeenteraad in redelijkheid kunnen aansluiten bij het advies van de commissie dat deze woonvorm weliswaar een grotere bouwmassa met zich brengt dan eengezinswoningen maar dat het bieden van deze woonvorm op zichzelf niet ongebruikelijk is in de bebouwde kom.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de door appellant gestelde mogelijke waardevermindering door de ontwikkelingen zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een groot gewicht had moeten toekennen.

Het bestaan van alternatieven kan voorts op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Gelet op al het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid aan de belangen die zijn gediend bij de verwezenlijking van het plan in de belangenafweging een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen.

2.5.11.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

317-463.