Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7975

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200502916/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied I, herziening ex artikel 30 WRO, wijzigingsplan Zeldertseweg 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502916/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats], gemeente Amersfoort,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Amersfoort,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied I, herziening ex artikel 30 WRO, wijzigingsplan Zeldertseweg 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 februari 2005, kenmerk 2005REG000097i, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 4 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2005, en appellant sub 2 bij brief van 7 april 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 6, 8 en 25 april 2005. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 mei 2005.

Bij brief van 5 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2005, waar appellanten sub 1 en appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, en verweerder, vertegenwoordigd door F.L.H.G. Assmann, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens het college van burgemeester en wethouders A.R. Bruins, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Met het wijzigingsplan wordt beoogd de vestiging van een intensieve veehouderij op een perceel aan de Zeldertseweg mogelijk te maken, die als gevolg van de bouw van de woonwijk "Vathorst" niet op haar huidige plaats kan worden gehandhaafd.

2.2.1.    De Afdeling dient allereerst de vraag te beantwoorden of appellanten, ieder voor zich, in hun beroep kunnen worden ontvangen. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als in deze procedure aan de orde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2.    [een van de appellanten sub 1] is eigenaar van gronden die liggen in de onmiddellijke nabijheid van de gronden waarop het wijzigingsplan ziet. Dit feit maakt reeds dat hij een rechtstreeks bij het wijzigingsplan betrokken belang heeft in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.2.3.    [15 appellanten sub 1] en [appellant sub 2] wonen op een afstand van minder dan 600 meter van de gronden waarop het wijzigingsplan ziet. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat al deze personen vanaf hun respectieve percelen zicht zullen hebben op de intensieve veehouderij. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de ruimtelijke uitstraling van de intensieve veehouderij, is het belang van voornoemde appellanten rechtstreeks bij het wijzigingsplan betrokken.

2.2.4.    [8 appellanten sub 1] wonen op minimaal 1 kilometer afstand van de gronden waar het wijzigingsplan op ziet. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om nog te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat deze appellanten een persoonlijk belang hebben dat hen van anderen onderscheidt.

Gezien het voorgaande kunnen [8 appellanten sub 1] niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat hun beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt appellanten

2.4.    [de overige appellanten sub 1] en [sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan, aangezien het een intensieve veehouderij mogelijk maakt aan de weg waaraan zij wonen. Het wijzigingsplan is volgens hen in strijd met het streekplan 2005-2015 (hierna: het streekplan), het reconstructieplan "Gelderse Vallei/Utrecht-Oost" (hierna: het reconstructieplan) en de gemeentelijke "Beleidsvisie Groen Blauwe Structuur" (hierna: de beleidsvisie). Zij betogen dat geen zorgvuldige besluitvorming heeft plaatsgevonden. In dit verband wijzen zij er op dat, nu bekend was dat de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie de adviesfunctie inzake wijzigingsplannen niet meer uitoefent, het wijzigingsplan ten onrechte niet ter advisering is voorgelegd aan een andere deskundige. Volgens hen is aan de vermeende toezegging van het gemeentebestuur aan de betrokken veehouder te veel, en aan het belang van het behoud van het open landschap te weinig gewicht toegekend. Zij vrezen voor verkeersproblemen op de Zeldertseweg en een vermindering van de recreatieve waarde van de omgeving. Er is volgens hen onvoldoende onderzoek naar alternatieven gedaan. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de aangehouden afstand tussen zijn woning en het bouwvlak te klein is. Hij vreest daardoor in zijn woon- en leefklimaat te worden aangetast.

Ter zitting hebben [appellanten sub 1] de beroepsgrond dat het bestreden besluit door een daartoe onbevoegd persoon is genomen, ingetrokken.

Het bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft het wijzigingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het wijzigingsplan voorziet in het toevoegen van een bouwvlak op een perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], met de bestemming "Agrarische doeleinden, kategorie AG-B (agrarisch gebied, nieuwe vestiging toegestaan)" ten behoeve van de vestiging van een intensieve veehouderij. Het noordelijke deel van het bouwvlak is in het plan voorzien van de aanduiding "veestallen". Ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - mogen gebouwen voor de uitoefening van agrarische bedrijven uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "veestallen" en een bedrijfswoning uitsluitend op het perceelsgedeelte dat niet is voorzien van een dergelijke aanduiding worden gebouwd.

2.6.2.    Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 6B, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied I, Herziening ex artikel 30 WRO". Ingevolge deze voorschriften, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om in een gebied dat is aangewezen voor "Agrarische doeleinden, kategorie AG-B (agrarisch gebied, nieuwe vestiging toegestaan)" en waarin geen bebouwing is toegestaan, de bestemming te wijzigen ten behoeve van het oprichten van nieuwe niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Niet in geding is dat hierbij de volgende criteria gelden:

- de oppervlakte van een bebouwingsvlak mag niet meer dan 1.25 ha bedragen;

- de bedrijfswoning wordt niet eerder gebouwd dan tegelijkertijd met of na het tot stand komen van de daarbij benodigde bedrijfsgebouwen en voor het overige gelden de bepalingen van de bestemming "Agrarisch gebied, kategorie AG".

- het college van burgemeester en wethouders wint tevoren advies in van de

directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie.

2.6.3.    [appellanten sub 1] en [sub 2] zijn allen woonachtig aan de [locatie]. De afstand tussen het bouwvlak met de aanduiding "veestallen" en de dichtstbijzijnde woning, te weten die van [appellant sub 2] aan de [locatie], bedraagt ongeveer 117 meter. De Zeldertseweg kent tussen de plaats waarop de veehouderij is voorzien en de oostelijker gelegen Bunschoterstraat een relatief dichte bebouwingsgraad. De Zeldertseweg kent ten westen van het perceel een meer sporadische bebouwing. Het gebied ten noorden van de voorziene veehouderij kan grotendeels worden gekarakteriseerd als onbebouwd agrarisch gebied.

2.6.4.    Bij besluit van 20 april 2004 is aan [vergunninghouder] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en inwerking hebben van een fokzeugen-, vleesvarkens- en paardenhouderij voor het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […].

Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 29 december 2004, no. 200404530/1 in rechte onaantastbaar geworden.

2.6.5.    Provinciale staten van Utrecht hebben het reconstructieplan op 13 december 2004 vastgesteld en provinciale staten van Gelderland hebben op 22 december 2004 hiermee ingestemd. De amendementen van provinciale staten van Gelderland hebben provinciale staten van Utrecht op 10 januari 2005 vastgesteld en provinciale staten van Gelderland hebben op 26 januari 2005 hiermee ingestemd. Het reconstructieplan is op 1 maart 2005 goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatsecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Op 17 maart 2005 is het reconstructieplan in werking getreden. In het reconstructieplan is het plangebied aangeduid als "verwevingsgebied". In dit gebied is nieuwvestiging van intensieve veehouderijen niet toegestaan. Wel is opgenomen dat wanneer vóór 3 mei 2004 door gemeenten bestuurlijke toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven in het kader van ruimtelijke ordeningsprocedures, het reconstructieplan daaraan niet in de weg dient te staan.

2.6.6.    Het streekplan is door provinciale staten van Utrecht op 13 december 2004 vastgesteld. Op 21 januari 2005 is het streekplan in werking getreden. In het streekplan is het plangebied aangeduid als "Landelijk gebied 2". In dit gebied is de ontwikkeling van intensieve veehouderij binnen milieukundige en ruimtelijke randvoorwaarden mogelijk. Het plangebied is in het streekplan tevens aangeduid als "landbouwkerngebied". De productieomstandigheden zijn binnen een dergelijk gebied zodanig dat er voor zowel de grondgebonden als de niet-grondgebonden land- en tuinbouw goede kansen zijn voor een duurzame ontwikkeling. Veelal heeft een landbouwkerngebied ook een rol bij het behoud van het bestaande karakteristieke landschap.

2.6.7.    De beleidsvisie is in maart 2004 vastgesteld. Het geeft de gewenste ontwikkeling wat betreft groen en water in de stad en het buitengebied van de gemeente Amersfoort weer. Het plangebied is in de beleidsvisie aangeduid als "Open agrarisch weidegebied (Eemland)". In de polder Zeldert, waar het plangebied deel van uitmaakt, is de agrarische sector volgens de beleidsvisie de 'hoeder van het open landschap'. Het uitgangspunt is hier dan ook handhaving van melkveehouderijen. Voorkomen moet worden dat bebouwing in het gebied verder toeneemt, aldus de beleidsvisie.

2.6.8.    De adviesfunctie inzake wijzigingsplannen wordt sinds 1996 niet meer door de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie uitgeoefend.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    De Afdeling acht het in overweging 2.6.6. weergegeven streekplanbeleid niet onredelijk. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met dit beleid.

2.7.1.    Nu het reconstructieplan in werking is getreden nadat verweerder het bestreden besluit had genomen, was verweerder niet gehouden dit plan in zijn besluitvorming te betrekken. Overigens staat het reconstructieplan niet in de weg aan het wijzigingsplan. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat van gemeentewege aan [vergunninghouder] vóór mei 2004 toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot verplaatsing van zijn intensieve veehouderij naar de gronden waarop het wijzigingsplan ziet.

2.7.2.    De Afdeling acht het in de beleidsvisie neergelegde beleid evenmin onredelijk. Het open landschap zal door de voorziene intensieve veehouderij in enige mate worden aangetast, hetgeen niet in overeenstemming is met de beleidsvisie. In de omstandigheid, zoals hiervoor is overwogen, dat aan [vergunninghouder] toezeggingen zijn gedaan omtrent verplaatsing van zijn intensieve veehouderij naar de gronden waarop het wijzigingsplan ziet, heeft verweerder echter in redelijkheid aanleiding kunnen zien in te stemmen met de beslissing van het college van burgemeester en wethouders tot afwijking van de beleidsvisie voor dit specifieke geval.

2.7.3.    Verweerder heeft er van kunnen uitgaan dat de toeneming van de verkeersbelasting op de Zeldertseweg ten gevolge van de komst van de intensieve veehouderij in verhouding tot de reeds bestaande verkeersbelasting gering zal zijn.

Wat betreft de eventuele nadelige invloed van het wijzigingsplan op de recreatieve waarde van de omgeving, bestaat geen grond voor het oordeel dat die invloed zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Gelet op de afstand tussen het bouwvlak met de aanduiding "veestallen" en de woning van [appellant sub 2] alsmede op het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van de intensieve veehouderij niet tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] zal leiden.

2.7.4.    Uit de voorschriften van het bestemmingsplan volgt niet dat het college van burgemeester en wethouders in de situatie dat de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie zijn adviesfunctie inzake wijzigingsplannen niet meer uitoefent, gehouden is het wijzigingsplan aan een andere adviseur voor te leggen. Ook in de WRO of het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 is voor een situatie als hier in geding geen verplichting opgenomen tot het inwinnen van advies alvorens tot vaststelling van een wijzigingsplan wordt overgegaan.

Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de in het geding zijnde belangen op een onevenwichtige wijze heeft afgewogen.

2.7.5.    Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan, binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten sub 1] en [sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan.

De beroepen van [appellanten sub 1]en [sub 2] zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [8 appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [de overige appellanten sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

12-466.