Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200502343/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere (hierna: het college) appellante medegedeeld de subsidieaanvraag van 28 juli 2003 niet in behandeling te kunnen nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 194 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502343/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Kinderdagverblijf The Cinema Kids", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/426 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere (hierna: het college) appellante medegedeeld de subsidieaanvraag van 28 juli 2003 niet in behandeling te kunnen nemen.

Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij tevens is vastgesteld dat in het primaire besluit ten onrechte melding wordt gemaakt van het niet in behandeling nemen van de aanvraag in plaats van het afwijzen daarvan.

Bij uitspraak van 8 februari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door T.J. van der Veen, ambtenaar bij de gemeente Almere, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1 van de Uitvoeringsregeling stimuleringssubsidies uitbreiding kinderopvang 1999-2003 van Almere (hierna: de Uitvoeringsregeling) dient voor het aanvragen van de subsidie het hiertoe bestemde formulier volledig ingevuld te worden.

   Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling moet het kindercentrum of het gastouderbureau voor het verlenen van de subsidie in het bezit zijn van een vergunning op basis van de Verordening Kinderopvang Almere 1997.

   Ingevolge artikel 5 van de Uitvoeringsregeling worden aanvragen gehonoreerd voor zover het daartoe beschikbare budget toereikend is.

2.1.1.    Bij brief van 15 mei 2003 heeft het college de kinderdagverblijven in Almere medegedeeld dat vanaf die datum in verband met de ontoereikendheid van het budget geen nieuwe subsidieaanvragen meer in behandeling zullen worden genomen.

2.2.    Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij eerst op 28 juli 2003 een (volledige) eerste subsidieaanvraag ten behoeve van de nieuwe vestiging aan de A. Roland Holststraat 169 heeft ingediend. Zij voert hiertoe aan dat reeds in augustus 2000 de eerste aanvraag/reservering is gedaan.

2.2.1.    Het betoog faalt. Hoewel appellante voorafgaand aan haar aanvraag van 28 juli 2003 het college bij brieven van 21 augustus 2000 en van 23 januari, 5 februari en 12 december 2002 heeft laten weten dat de vestiging aan de A. Roland Holststraat 169 zou worden geopend, heeft zij de aanvraag om subsidie daarvoor eerst op 28 juli 2003 op het daartoe bestemde formulier als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling ingediend. De aanvraag is derhalve ingediend nadat het college bij brief van 15 mei 2003 heeft bekendgemaakt dat na die datum geen subsidieaanvragen meer in behandeling worden genomen.

   Voorzover appellante in dit verband heeft bedoeld te betogen dat zij al door de aankondiging van de start van het onderhavige kinderdagverblijf recht zou hebben op toekenning van subsidie, ondanks het feit dat het college na 15 mei 2003 geen subsidieaanvragen meer in behandeling zou nemen, faalt dit betoog evenzeer. Ingevolge artikel 1 van de Uitvoeringsregeling kan de subsidie slechts worden aangevraagd door middel van een daartoe bestemd, volledig ingevuld formulier. De Uitvoeringsregeling biedt, anders dan appellante kennelijk meent, niet de mogelijkheid vooraf subsidiegelden te reserveren. Het college heeft bovendien meerdere malen vóór 15 mei 2003 aanvraagformulieren aan appellante gezonden ten behoeve van de in te dienen aanvraag voor de onderhavige vestiging, zodat appellante hieruit had kunnen afleiden dat de door haar diverse malen bij brief aangekondigde opening van deze vestiging niet als een subsidieaanvraag kon worden beschouwd, maar dat zij daarvoor het vereiste formulier diende te gebruiken.

   Het rechtbankoordeel dat appellante eerst op 28 juli 2003 een eerste subsidieaanvraag ten behoeve van de onderhavige locatie heeft ingediend, is derhalve juist.

2.3.    Voorts heeft appellante betoogd dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan andere instellingen voor kinderopvang wel nog na de datum van 15 mei 2003 subsidies te verlenen. De rechtbank heeft volgens appellante ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat met betrekking tot de toekenning van subsidiegelden aan andere instellingen na 15 mei 2003 sprake zou zijn geweest van ongelijke behandeling.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. Uit het overzicht van het college van de subsidieaanvragen van 2003 blijkt dat slechts die aanvragen zijn gehonoreerd, die vóór 15 mei 2003 zijn ingediend. Dat niet alle instellingen ten tijde van de aanvraag reeds beschikten over de in artikel 2 van de Vergoedingsregeling bedoelde vergunning is, anders dan appellante heeft betoogd, hierbij niet van belang, daar de beschikking over een dergelijke vergunning noodzakelijk is voor het verlenen van de subsidie en niet reeds voor het aanvragen daarvan. Nu de aanvraag van appellante dateert van na de datum van 15 mei 2003, is geen sprake van gelijke gevallen die door het college gelijk behandeld zouden moeten worden. De rechtbank is ook tot die slotsom gekomen.

2.4.    Appellante heeft in hoger beroep verder nog betoogd, dat sprake is van herhaald onjuist of kennelijk onredelijk beleid door het college in die zin dat het college haar met betrekking tot eerdere subsidieaanvragen voor andere locaties van appellante en voor het in dienst nemen van werknemers op een onjuiste wijze heeft bejegend. Hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd, heeft echter geen betrekking op de subsidieaanvraag van 28 juli 2003 en de daarop gevolgde afwijzing van 20 augustus 2003. De rechtbank heeft daarin dan ook terecht geen grond gezien voor vernietiging van de bestreden beslissing op bezwaar.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

47-420.