Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
200502842/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Margraten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied 1996, herziening 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502842/1.

Datum uitspraak: 14 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Margraten,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    het college van burgemeester en wethouders van Margraten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Margraten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied 1996, herziening 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 februari 2005, kenmerk 2005/7893, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 4 april 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, [appellant sub 2] bij brief van 1 april 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, en het college van burgemeester en wethouders van Margraten bij brief van 18 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2005, waar [appellanten sub 1], in persoon en vertegenwoordigd door mr. R.P.M.M. Mols, [appellant sub 2], in persoon en vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, het college van burgemeester en wethouders van Margraten, vertegenwoordigd door J.P.H.W. Roijen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.R. Boer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad J.P.H.W. Roijen gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

De beroepen van [appellanten sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Margraten

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de in het plan opgenomen aanduiding "\\\\" wat betreft gronden van [appellanten sub 1], aan artikel 16, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften en aan de in artikel 16, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede "en voor zover op de plankaart aangegeven met de arcering \\\\ waar uitsluitend maximaal 4 kampeermiddelen zijn toegestaan". Hierdoor wordt het gebruik van vier kampeermiddelen op het terrein van [appellanten sub 1] volgens hen ten onrechte niet meer mogelijk gemaakt. Appellanten wijzen er op dat dit gebruik in 1983 is aangevangen en onder het overgangsrecht van het vorige plan viel. Met het als zodanig bestemmen van dit gebruik neemt het aantal gehinderden binnen de stankcirkel van het agrarische bedrijf van de [maatschap] niet toe, aldus appellanten.

Het bestreden besluit

2.3.1.    Verweerder heeft het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, voor zover dit het gebruik van maximaal vier kampeermiddelen toestaat binnen de stankcirkel van het agrarisch bedrijf van de [maatschap]. Hij heeft overwogen dat de gemeenteraad met deze regeling zijn eerdere besluit van 2 maart 1999 niet in acht heeft genomen. Gelet hierop heeft hij goedkeuring onthouden aan de in het plan opgenomen aanduiding "\\\\" wat betreft gronden van [appellanten sub 1], aan artikel 16, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften en aan de in artikel 16, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede "en voor zover op de plankaart aangegeven met de arcering \\\\ waar uitsluitend maximaal 4 kampeermiddelen zijn toegestaan".

Vaststelling van de feiten

2.3.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.3.2.1.    [appellanten sub 1] hebben een perceel aan de [locatie sub 1] te [plaats]. Op deze gronden staat een gebouw langs de [locatie], met daarin een bedrijfswoning, een café en twee groepsaccommodaties. Haaks op de Heiweg staan vijf aaneengebouwde vakantiewoningen. Het terrein is verder onbebouwd.

2.3.2.2.    In het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" was aan gronden van [appellanten sub 1] de bestemming "Verblijfsaccommodatie" toegekend. Bij besluit van 2 maart 1999 heeft verweerder goedkeuring aan dit plandeel onthouden, voor zover het betreft het buitenterrein gelegen binnen de stankcirkel van 100 meter van het bedrijf van de [maatschap] aan de [locatie]. Bij uitspraak van 27 februari 2002, no. E01.99.0201, heeft de Afdeling als volgt hierover geoordeeld:

   "Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat het     grootste deel van het perceel van appellanten ligt binnen een     afstand van ongeveer 100 meter van het bouwvlak van het     agrarisch bedrijf van de [maatschap] aan de [locatie].     Ook de bestaande bebouwing alsmede het deel van de strook     onbebouwde grond ten zuiden en oosten daarvan, liggen binnen     deze stankcirkel. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in     redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, hoewel in     de huidige situatie reeds hindergevoelige functies binnen de     genoemde stankcirkel liggen, het ongewenst moet worden geacht     dat het aantal gehinderden door het gebruik van bedoelde gronden     als kampeerterrein toeneemt. (…).

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt     kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede     ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd,     ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden     besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met     het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring aan dit     deel van het plan heeft onthouden."

2.3.2.3.    In het plan is aan de gronden van [appellanten sub 1] wederom de bestemming "Verblijfsaccommodatie" toegekend. De gronden van het buitenterrein voor zover gelegen binnen 100 meter van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf van de [maatschap] zijn grotendeels aangeduid met de arcering "////" en voor het overige aangeduid met de arcering "\\\\". Ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn op de gronden aangegeven met de arcering "////" geen kampeermiddelen toegestaan en zijn op de gronden aangegeven met de arcering "\\\\" uitsluitend maximaal 4 kampeermiddelen toegestaan.

2.3.2.4.     Sinds 1983 wordt er op de gronden die in het plan zijn aangeduid met "\\\\" kleinschalig gekampeerd. Vanaf 1995 heeft het college van burgemeester en wethouders jaarlijks ontheffing op grond van artikel 8 van de Wet op de openluchtrecreatie verleend voor het hebben van een kampeerterrein aldaar voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.3.    De gemeenteraad heeft met het als zodanig bestemmen van vier kampeermiddelen binnen de stankcirkel van het agrarische bedrijf van de [maatschap] in zoverre geen uitvoering gegeven aan hetgeen verweerder heeft overwogen in zijn besluit van 2 maart 1999. In de enkele door appellanten gestelde en door verweerder aannemelijk geachte omstandigheid dat het gebruik van deze vier kampeermiddelen onder het overgangsrecht van het vorige plan viel, behoefde verweerder geen aanleiding te zien om af te wijken van zijn eerdere besluit. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de vier kampeermiddelen ter plaatse in deze moet worden beschouwd als het toestaan van het gebruik van vier kampeermiddelen binnen een stankcirkel van een bestaand agrarisch bedrijf, waardoor een aanvaardbaar verblijfsklimaat niet is verzekerd.

2.3.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

De beroepen van [appellanten sub 1] en het college van burgemeester en wethouders zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" voor zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], nr. […], omdat voor dit perceel niet via een agrarisch bouwvlak is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden. Hij voert aan dat zijn bedrijf inmiddels een omvang heeft die overeenkomt met 48,44 standaardbedrijfseenheden (hierna: sbe). Appellant wijst er op dat aan een agrarisch bedrijf ter hoogte van [locatie] te [plaats] wel een agrarisch bouwvlak is toegekend.

Het bestreden besluit

2.4.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Hij betoogt dat het plan op dit punt in overeenstemming is met de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2002, no. E01.99.0201. Volgens verweerder zijn de feiten en omstandigheden sedert deze uitspraak niet zodanig gewijzigd dat aan die uitspraak geen betekenis meer kan worden toegekend.

Vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.2.1.    Appellant exploiteert een slagerij in Maastricht. Hij gebruikt het perceel, kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], nr. […] (voorheen: gemeente Bemelen, sectie […], nos. […] en […]), voor het houden van dieren ten behoeve van zijn slagerij. De veebezetting ter plaatse bedraagt op grond van een inventarisatie in mei 2004, 48,44 sbe.

2.4.2.2.    In het bestemmingsplan "Hoofdzakenplan, 1e herziening" is het perceel van appellant als "Natuurreservaat" bestemd. In het bestemmingsplan "Buitengebied 1996", dat onder meer is opgesteld ter vervanging van dat bestemmingsplan, is aan het perceel van appellant de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" toegekend. Bij besluit van 2 maart 1999 heeft verweerder dit plandeel goedgekeurd. Bij uitspraak van 27 februari 2002, no. E01.99.0201, heeft de Afdeling als volgt hierover geoordeeld:

   "Gelet op het verhandelde ter zitting en de bevindingen in het     deskundigenrapport moet het er voor worden gehouden dat de     percelen van appellant deel uitmaken van een uit landschappelijk     oogpunt zeer kwetsbaar gebied. Voorts is niet in geding dat     appellant geen volwaardig agrarisch bedrijf heeft en evenmin een     bedrijf dat in de toekomst tot een volwaardig agrarisch bedrijf zal     uitgroeien. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat appellant de     percelen reeds geruime tijd gebruikt voor het houden van dieren ten     behoeve van zijn slagerij. Ter zitting is komen vast te staan dat de     bouwwerken op het perceel, in ieder geval deels, zijn gebouwd met     een in 1989 verleende bouwvergunning. Ter zitting is door de     gemeenteraad verklaard dat het gemeentebestuur niet voornemens     is om het bestaande gebruik van de percelen te beëindigen. Gelet     hierop is het onder het overgangsrecht brengen van het bestaande     gebruik en de bestaande bebouwing naar het oordeel van de     Afdeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan     op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld     in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke     Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet     bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat     het bestreden besluit wat betreft de goedkeuring van het plandeel     met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of     natuurlijke waarden" betreffende de percelen van appellant,     kadastraal bekend gemeente Bemelen, sectie […], nos. […] en […],     dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt dat er     rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling     aanleiding ziet om op dit punt goedkeuring aan het plan te     onthouden."

2.4.2.3.    In het plan is aan het perceel van appellant wederom de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" gegeven. Verder zijn op deze gronden twee aanduidingen opgenomen. Niet in geding is dat door de opname van deze aanduidingen op de plankaart in samenhang met hetgeen daarover in artikel 8 van de planvoorschriften is bepaald, het bestaande gebruik en de bestaande bebouwing ter plaatse als zodanig zijn bestemd.

2.4.2.4.    Volgens het provinciale beleid, zoals dat nu is neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de Handleiding bestemmingsplannen c.a., dienen bij een algehele herziening van bestemmingsplannen buitengebied, bestaande agrarische bedrijven met een bouwkavel na afweging een bouwkavel op maat te krijgen, wanneer sprake is van een reële agrarische bedrijfsvoering. In de afweging dient ook het toekomstperspectief van het betreffende bedrijf betrokken te worden. Toekenning van een nieuwe bouwkavel is alleen toegestaan voor volwaardige bedrijven. Als indicatie voor een volwaardig bedrijf geldt een norm van plusminus 200 sbe.

2.4.2.5.    Aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" ligt het beleid ten grondslag om uitsluitend nieuwe agrarische bouwvlakken toe te kennen aan volwaardige agrarische bedrijven en aan bedrijven die binnen een redelijke termijn als volwaardig kunnen worden aangemerkt. Aan bestaande agrarische bedrijven met een agrarisch bouwvlak, is wederom een agrarisch bouwvlak toegekend, bij gebleken concrete behoefte en aantoonbare positieve bedrijfsverwachtingen. Bestaande agrarische bedrijven met een omvang onder 35 sbe worden in elk geval niet als agrarisch bedrijf gezien en ten behoeve van deze bedrijven wordt derhalve geen agrarisch bouwvlak meer opgenomen. Het voornoemde beleid is nog steeds het geldende gemeentelijke beleid.

2.4.2.6.    Het gebied waarin het perceel van appellant ligt, is in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als "ontwikkelingsgebied ecosystemen". Het agrarisch bedrijf ter hoogte van de [locatie] te [plaats] waarop appellant heeft gewezen, betreft een volwaardig agrarisch bedrijf. Het is gelegen in een gebied dat in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg is aangeduid als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen".

Het oordeel van de Afdeling

2.4.3.    Het plan is wat betreft het perceel, kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], nr. […], in overeenstemming met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2002. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sinds het moment waarop de uitspraak van de Afdeling is gedaan een zodanige wijziging van feiten of omstandigheden heeft plaatsgevonden dat van deze uitspraak had moeten worden afgeweken. Het gemeentelijke en provinciale beleid inzake agrarische bouwpercelen is sinds het moment waarop de voornoemde uitspraak van de Afdeling is gedaan niet gewijzigd. Het bedrijf van appellant is niet aan te merken als een bestaand agrarisch bedrijf in de zin van het voornoemde beleid. Aan het perceel van appellant was in het vorige plan geen agrarisch bouwvlak toegekend. Niet aannemelijk is geworden dat appellant inmiddels een (potentieel) volwaardig agrarisch bedrijf heeft. Hierbij neemt de Afdeling onder meer in aanmerking dat het met het bedrijf van appellant samenhangende aantal sbe ongeveer 48 bedraagt en dat daarmee in niet geringe mate wordt afgeweken van de norm van 200 sbe, die als indicatie wordt aangehouden bij de bepaling van de volwaardigheid van een agrarisch bedrijf.

Wat betreft het wel toekennen van een agrarisch bouwvlak voor gronden gelegen achter het pand [locatie] te [plaats], overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op hetgeen in overweging 2.4.2.6. is vastgesteld, komt die situatie niet zodanig overeen met de situatie van appellant, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

2.4.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden door appellant, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005

12-466.