Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7609

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200503004/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan IJzerwaren en Gereedschappen DHZ (hierna: vergunninghouder) voor het herbouwen van een winkel met bovenwoning op het perceel Kerkstraat 34 te Ouderkerk aan de Amstel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503004/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten]., allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/250 WW44 van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan IJzerwaren en Gereedschappen DHZ (hierna: vergunninghouder) voor het herbouwen van een winkel met bovenwoning op het perceel Kerkstraat 34 te Ouderkerk aan de Amstel.

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, vergunninghouder alsnog een binnenplanse vrijstelling verleend en het besluit van 5 augustus 2003 onder wijziging van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 15 februari 2005, verzonden op 23 februari 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 5 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.C. Stoové, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.G.T. van Putten en mr. G. van der Kuil, ambtenaren bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is vergunninghouder, vertegenwoordigd door [directeur], verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het - inmiddels gerealiseerde - bouwplan voorziet in het realiseren van drie bouwlagen, waarvan de onderste bouwlaag dienst zal doen als winkel en de bouwlagen daarboven als woonruimte.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voorzover hier van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:                                        

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;                        

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Beschermd dorpsgezicht Ouderkerk aan de Amstel" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Centrumdoeleinden en bijbehorende terreinen."                Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van deze voorschriften de goothoogte van gebouwen gemeten van de horizontale snijlijn aan de onderzijde van elk dakvlak met elk daaronder gelegen gevelvlak of scheidsmuur tot aan het peil. Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder b, aanhef en onderdeel 1, van de planvoorschriften mogen het aantal bouwlagen en de goothoogte van hoofdgebouwen niet minder respectievelijk niet meer bedragen dan is aangegeven op kaartbijlage 4.  Op kaartbijlage 4, behorend bij de planvoorschriften, heeft het perceel Kerkstraat 34 voor bouwlagen de aanduiding '2' en voor de goothoogte de aanduiding '5'.                            Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen. Ingevolge artikel 5, derde lid, onder a, aanhef en onderdeel 2, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2, onder b, aanhef en onderdeel 1, voor een goothoogte van niet meer dan 6 m.            

2.3.    Appellanten betogen in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5, tweede lid, onder b, aanhef en onderdeel 1, van de planvoorschriften geen splitsing beoogt aan te geven tussen het aantal bouwlagen en de goothoogte. Appellanten betogen dat met dit artikel, gelezen in combinatie met de desbetreffende aanduiding op de bij de planvoorschriften behorende kaartbijlage 4, is bedoeld dat niet minder en niet meer dan twee bouwlagen zijn toegestaan.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 5, tweede lid, onder b, aanhef en onderdeel 1, van de planvoorschriften zo moet worden uitgelegd dat voor de goothoogte een maximum geldt en voor het aantal bouwlagen een minimum. Nu op het perceel niet minder dan twee bouwlagen zijn toegestaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ten aanzien van het aantal bouwlagen, te weten drie, geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college een onjuiste wijze van meten van de goothoogte gehanteerd heeft, waardoor de werkelijke goothoogte hoger ligt dan de theoretische goothoogte. Ook sluit deze wijze van meten volgens appellanten niet aan bij de wijze waarop de overige maten van bouwwerken krachtens het bestemmingsplan worden gemeten, namelijk buitenwerks.

2.4.1.    Dit betoog faalt eveneens. Uit artikel 2, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften volgt dat de planwetgever niet van betekenis heeft geacht of en zo ja op welke hoogte feitelijk een dakgoot is aangebracht, maar onder de benaming "goothoogte" de maatvoering heeft aangegeven die ter plaatse waar de onderkant van het dakvlak de gevel snijdt in acht genomen dient te worden. Dat de overige maten van bouwwerken krachtens het bestemmingsplan buitenwerks worden gemeten, maakt dit niet anders en kan niet leiden tot het door appellanten beoogde doel. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.            

2.5.    Appellanten betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kon verlenen. Het college heeft, gelet op het onder 2.4.1. overwogene, op juiste wijze vastgesteld dat de in het bouwplan voorziene goothoogte zes meter bedraagt. Het college was bevoegd daarvoor, met toepassing van artikel 5, derde lid, onder a, aanhef en onderdeel 2, van de planvoorschriften, vrijstelling te verlenen.

2.6.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de binnenplanse vrijstelling. Appellanten voeren hiertoe aan dat het bouwplan een onaanvaardbare beperking van de toetreding van lucht en licht in de omliggende woningen tot gevolg heeft.                  

2.6.1.    Het college is in zijn beoordeling of vrijstelling kon worden verleend ingegaan op het betoog van appellanten dat het bouwplan een onaanvaardbare beperking van de toetreding van lucht en licht in de omliggende woningen tot gevolg heeft. Het college heeft overwogen dat door de gekozen wijze van uitvoering van de bouwkundige goot, zoals opgenomen in de verleende bouwvergunning, vermindering van daglichttoetreding nagenoeg wordt vermeden. Het college heeft hierbij tevens opgemerkt dat de zijmuren van de bebouwing aan de Kerkstraatzijde van oudsher zodanig dicht aan elkaar grenzen dat van die zijden, gelet op de aaneengesloten bebouwing, überhaupt weinig lucht- en lichttoetreding mogelijk is. Volgens het college kan dit geen aanleiding zijn om bij herbouw in een andere verschijningsvorm vast te houden aan een maximale goothoogte van vijf meter. De aldus door het college aan zijn beslissing ten grondslag gelegde afweging kan niet als onredelijk worden aangemerkt. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de bezwaren betreffende de lucht- en lichttoetreding het college ertoe behoorde te leiden de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid achterwege te laten. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat aan de beslissing op bezwaar van het college geen degelijk welstandsadvies ten grondslag ligt. Volgens appellanten volgt uit geen enkel stuk dat er daadwerkelijk een grondige toetsing aan welstandseisen heeft plaatsgevonden. Appellanten voeren hiertoe aan dat het welstandsadvies zelf slechts een stempeladvies is.

2.7.1.    Vast staat dat de welstandscommissie door middel van een zogeheten stempeladvies positief heeft geadviseerd over het bouwplan. Met de enkele stelling tijdens de in de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting dat het welstandsadvies slechts een stempeladvies betreft, is niet gemotiveerd gesteld dat het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand voldoet. Bovendien hebben appellanten de inhoud van het advies niet bestreden door overlegging van een deskundig tegenadvies. Niet gebleken is dat het welstandsadvies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college, dat in de beslissing op bezwaar ook nadrukkelijk heeft vermeld geheel achter het advies van de welstandscommissie te staan, niet op het welstandsadvies mocht afgaan. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.    

2.8.    Ten aanzien van hetgeen appellanten hebben betoogd met betrekking tot de wijze van uitvoering van de bouwwerkzaamheden overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het daarbij gaat om aangelegenheden betreffende de uitvoering van het bouwplan die in het kader van deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.9.    Het betoog van appellanten dat het besluit van het college onrechtmatig is, omdat bij het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunning de door hen geleden schade - welke overigens in het geheel niet is geadstrueerd - niet is vergoed, is niet eerder naar voren gebracht en dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

218-494.