Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200505050/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft appellant een graansilo van Cehave Landbouwbelang Voeders B.V. (hierna: Cehave) aan de N.C.B.-laan te Veghel aangewezen als beschermd rijksmonument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505050/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2565 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 29 april 2005 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Cehave Landbouwbelang Voeders B.V.", gevestigd te Veghel

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft appellant een graansilo van Cehave Landbouwbelang Voeders B.V. (hierna: Cehave) aan de N.C.B.-laan te Veghel aangewezen als beschermd rijksmonument.

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft appellant het daartegen door Cehave gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2005, verzonden op 4 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 augustus 2005 heeft Cehave van antwoord gediend.

Bij brieven van 26 september 2005 en 30 september 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brief van 29 september 2005 heeft Cehave nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.P. Abeling, drs. J.L.P.B. Finaly en drs. P. Nijhof, werkzaam bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: de RDMZ), en Cehave, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. de Vocht, bijgestaan door mr. H.C. van Olden, advocaat te Utrecht, zijn verschenen. Voorts zijn J.Th.G. Dörsch en M. Hek, werkzaam bij PRC-Management-Advies-Onderzoek (hierna: PRC), verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder monument: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet kan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

   De waarderingscriteria die appellant hanteert voor de bepaling van de monumentwaardigheid van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de Monumentenwet zijn nader geformuleerd in de Handleiding Selectie en Registratie Jongere Stedebouw en Bouwkunst (1850-1940), die in 1991 is uitgebracht door de RDMZ (hierna: de Handleiding).  

2.2.    In hoger beroep is uitsluitend in geschil het oordeel van de rechtbank dat de beslissing op bezwaar niet is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de door Cehave in beroep ingebrachte tegenrapportage (hierna: het PRC-rapport) en het ontbreken van een schriftelijke onderbouwing van de monumentwaardigheid van de silo door de in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (hierna: het MIP) ingeschakelde deskundige, er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellant zich bij de aanwijzing van de graansilo als beschermd monument in redelijkheid heeft kunnen baseren op de uitkomsten van het MIP en het advies van de Raad voor Cultuur.

2.3.    Appellant betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank het PRC-rapport ten onrechte in de beoordeling heeft betrokken nu dit niet kon worden meegewogen bij de beslissing op bezwaar. Cehave heeft dit rapport pas in beroep, en dan nog in een zeer laat stadium, ingebracht. Bovendien bevat dit rapport volgens appellant een integrale waardestelling waarin de monumentale waarden van de graansilo ter discussie worden gesteld, terwijl deze waarden als vaststaand dienen te worden beschouwd omdat ze in bezwaar niet zijn bestreden.

2.4.    Dit betoog faalt. Cehave heeft het PRC-rapport ingebracht op 11 maart 2005, kort voor de op 23 maart 2005 gehouden zitting bij de rechtbank. Daarmee is dit rapport ingebracht binnen de termijn voor het indienen van stukken als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Een goede procesorde kan zich evenwel ertegen verzetten dat een lijvig stuk als dit rapport, indien het in een zo laat stadium van de procedure wordt ingebracht, zonder meer nog in het geding wordt toegelaten en in de beoordeling betrokken. In dit geval moet echter worden vastgesteld dat van de zijde van appellant ter zitting bij de rechtbank weliswaar is opgemerkt dat het rapport in een zeer laat stadium is ingebracht, maar niet uitdrukkelijk is gevraagd om een nadere termijn voor een reactie op dit rapport. Dit gevoegd bij de door appellant ter zitting gegeven opmerkingen over het PRC-rapport is de Afdeling er dan ook niet van overtuigd dat appellant in beroep niet voldoende heeft kunnen reageren op dat rapport.    

   Cehave heeft in bezwaar gesteld dat de oorspronkelijke apparatuur niet meer authentiek is en dat de dakopbouw van de silo reeds is gesloopt. Anders dan appellant meent, heeft Cehave hiermee het monumentale karakter van de graansilo bestreden. De rechtbank mocht het PRC-rapport betrekken bij de beoordeling nu dit een nadere onderbouwing vormt van de door Cehave eerder aangevoerde argumenten tegen de aanwijzing van de graansilo als beschermd rijksmonument.

2.5.    Appellant betoogt evenwel met succes dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de in het rapport gehanteerde Monumentwaardigheidswijzer (hierna: de Wijzer), die is ontwikkeld door PRC, de opsteller van het rapport, geschikt is om de monumentale waarde van monumenten als bedoeld in de Monumentenwet vast te stellen. Naar appellant in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd en in hoger beroep nader heeft toegelicht, wijken de in de Wijzer neergelegde waarderingscriteria in belangrijke mate af van de in de Handleiding neergelegde waarderingscriteria voor de bepaling van de monumentwaardigheid van een onroerende zaak als bedoeld in de Monumentenwet. Appellant heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop de waarderingscriteria van de Wijzer in het algemeen worden en in dit geval zijn gehanteerd, tot belangrijk andere uitkomsten leiden dan de waardering op basis van de waarderingscriteria van de Handleiding.

   Gelet hierop heeft de rechtbank in het op de Wijzer gebaseerde PRC-rapport ten onrechte grond gezien voor het oordeel dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zich bij de aanwijzing van de graansilo als beschermd monument in redelijkheid heeft kunnen baseren op de uitkomsten van het MIP en het advies van de Raad voor Cultuur.    

2.6.    Naar het oordeel van de Afdeling kon appellant de beslissing op bezwaar in redelijkheid baseren op de redengevende omschrijving, waaraan de uitkomsten van het MIP en het advies van de Raad voor Cultuur ten grondslag liggen, een en ander zoals toegelicht met de in hoger beroep door appellant aan de hand van de waarderingscriteria van de Handleiding gegeven nadere onderbouwing naar aanleiding van het eerst na de bezwaarfase ingebrachte PRC-rapport. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat appellant aldus voldoende heeft gemotiveerd dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de graansilo voor bescherming als rijksmonument in aanmerking komt.

   Voorts heeft appellant in de stelling van Cehave dat het niet mogelijk is de graansilo een zinvolle bestemming te geven en herstel van de graansilo in zijn oorspronkelijke staat veel geld zal kosten in redelijkheid geen grond hoeven zien om de graansilo niet aan te wijzen als rijksmonument. Appellant heeft in de beslissing op bezwaar terecht erop gewezen dat door het vergunningenstelsel als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet wordt bezien of, en zo ja in hoeverre aan belemmeringen tegemoet kan worden gekomen.  

2.7.    Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de beslissing op bezwaar ten onrechte wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht heeft vernietigd.

2.8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover deze is aangevochten, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 april 2005, AWB 04/2565;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

71-477.