Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200503703/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2005:AT0917
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2003 heeft het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van appellant sub 1 (hierna: het bureau) twee aan appellante verleende voorwaardelijke toevoegingen met nummers 1BG1045 en 1BS0345 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503703/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch,

2.    [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2566 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 maart 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2003 heeft het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van appellant sub 1 (hierna: het bureau) twee aan appellante verleende voorwaardelijke toevoegingen met nummers 1BG1045 en 1BS0345 ingetrokken.

Bij besluit van 4 augustus 2003 heeft appellant sub 1 het daartegen door appellante sub 2 ingestelde administratief beroep gegrond verklaard en de voorwaardelijke toevoegingen gemuteerd in definitieve toevoegingen.

Bij uitspraak van 10 maart 2005, verzonden op 16 maart 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op beroep vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 25 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2005, en appellante sub 2 bij brief van 25 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2005, hoger beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brieven van 17 mei 2005 en 3 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Daartoe op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld, heeft [wederpartij] op 16 juni 2005 een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2005, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. A.E.M. van den Hoff, werkzaam bij appellant sub 1, en appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zoon van appellante sub 2, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 31, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) - zoals die wet luidde ten tijde van de beslissing op administratief beroep en voorzover hier van belang - wordt voorwaardelijk toegevoegd indien het verzoek betrekking heeft op rechtsbijstand ter zake van echtscheiding, tenzij aanstonds blijkt dat beide partijen voor een toevoeging in aanmerking komen.

   Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wrb - zoals die wet luidde ten tijde hier van belang - geeft het bureau geen definitieve toevoeging af indien na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt.

   Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb - zoals die wet luidde ten tijde hier van belang - wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste ƒ 14 000, indien hij alleenstaande is, dan wel van ten minste ƒ 20.000 in overige gevallen.

   Ingevolge artikel 34, vierde lid, van de Wrb - zoals die wet luidde ten tijde hier van belang - worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven voor de vaststelling van het voor de financiële draagkracht in aanmerking te nemen inkomen en vermogen.

   Zodanige regels zijn gegeven in het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Bdr).

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Bdr - zoals dit luidde ten tijde hier van belang - worden voor de vaststelling van het vermogen onder andere als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank-, en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van het bureau, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

   Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van het Bdr - zoals dit luidde ten tijde hier van belang - wordt voor de vaststelling van het vermogen niet in aanmerking genomen de waarde in vrij opgeleverde staat van de eigen woning die de rechtzoekende bewoont of, in geval van opheffing van de gezamenlijke huishouding, bewoond heeft, voorzover deze waarde, na aftrek van het nog niet afgeloste bedrag van de daarop gevestigde hypotheek of hypotheken, minder dan ƒ 75.000,00 (€ 34.033,52) bedraagt.

   Ingevolge artikel V van de Wet tot wijziging van de Wrb naar aanleiding van de evaluatie van de Wrb alsmede aanpassing van de Wrb aan de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de wijzigingswet) van 4 december 2003 - voorzover hier van belang - is, indien een belanghebbende op het moment van inwerkingtreding van deze wet beroep bij de raad heeft ingesteld, het recht dat gold voor inwerkingtreding van toepassing.

2.2.    Appellant sub 1 heeft zich in zijn besluit van 4 augustus 2003 op het standpunt gesteld dat in navolging van de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 22 januari 2001 (hierna: de brief) en vooruitlopend op de wijziging van artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van het Bdr, bij het vaststellen van de waarde van een eigen huis rekening moet worden gehouden met een vrijstelling van € 65.344,00 en dat voorts bij de berekening van het vermogen rekening dient te worden gehouden met de verhaalschuld van de gemeente Venlo.

2.3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat niet bij wijze van een brief van de Staatssecretaris kan worden geanticipeerd op de inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving. Door niet uit te gaan van het bedrag zoals dat op het moment van het nemen van de beslissing op administratief beroep ingevolge het Bdr gold, heeft appellant sub 1 gehandeld in strijd met de wet. Gelet op artikel V van de wijzigingswet moet appellant sub 1 bij het opnieuw beslissen op het administratief beroep naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van het Bdr zoals dit voor 1 mei 2004 luidde.

2.4.    Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte en op onjuiste gronden tot dit oordeel is gekomen. Zij betogen dat door geen gevolg te geven aan de brief in strijd met het bestuursrecht zou worden gehandeld. Appellante sub 2 voert voorts aan dat de rechtbank haar gehele schuldpositie had moeten meenemen bij de vaststelling van haar vermogenspositie.

2.5.    De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet door middel van een circulaire, zoals de brief, kan worden geanticipeerd op de inwerkingtreding van nieuwe regelgeving, mede in ogenschouw genomen dat het voornemen tot wijziging van de regelgeving ten tijde van de beslissing op administratief beroep nog moest worden gepubliceerd. Dat zowel advocaten als rechtzoekenden via mailings respectievelijk informatiebrochures over het nieuwe vrijstellingsbedrag zijn ingelicht, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft derhalve met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat appellant sub 1, door niet uit te gaan van het bedrag zoals dat ingevolge het Bdr gold, heeft gehandeld in strijd met de wet. De beslissing op administratief beroep komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.

2.5.1.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat bij beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven, van beslissend belang is dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 31, tweede en derde lid, van de Wrb. Ingevolge die bepalingen zijn bij de bepaling van de draagkracht in het vermogen van een rechtzoekende, die om toevoeging verzoekt ter zake van echtscheiding, twee peilmomenten van belang. Het eerste is het moment waarop een rechtzoekende om een (voorwaardelijke) toevoeging verzoekt ten behoeve van het voeren van een echtscheidingsprocedure. Het tweede moment is gelegen na beëindiging van de rechtsbijstand, wanneer dient te worden beoordeeld of een voorwaardelijk verleende toevoeging kan worden omgezet in een definitieve toevoeging. Zoals de vertegenwoordiger van appellant sub 1 ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd wordt daarbij de binnenkomst van het verzoek om mutatie als peilmoment gehanteerd. In dit geval heeft appellant sub 1 op 26 februari 2003 het mutatieverzoek in verband met de beëindiging van de rechtsbijstand van appellante sub 2 ontvangen. Naar het oordeel van de Afdeling dient bij de bepaling van de draagkracht in het vermogen van appellante sub 2 het recht zoals dat op dat moment gold te worden toegepast. Nu de rechtbank, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel komt, ziet de Afdeling geen aanleiding de aangevallen uitspraak op dit punt te vernietigen.

2.5.2.    Ten aanzien van het betoog van appellante sub 2 dat de rechtbank haar gehele schuldpositie, bestaande uit een verhaalschuld bij de gemeente Venlo, een schuld bij haar dochter en een van de gemeente verkregen voorziening, had moeten meenemen bij de vaststelling van haar vermogenspositie, overweegt de Afdeling dat, zelfs indien de rechtbank daartoe was overgegaan, sprake zou zijn van een overschrijding van de in artikel 34, tweede lid, van de Wrb, genoemde vermogensgrens. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de beslissing op administratief beroep in stand te laten.

2.6.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Haverkamp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

290.