Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200501834/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft de gemeenteraad van Steenwijkerland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 augustus 2004, het bestemmingsplan "Giethoorn, Ds. T.O. Hylkemaweg e.o." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/1785
JOM 2007/319
OGR-Updates.nl 1001109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501834/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft de gemeenteraad van Steenwijkerland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 augustus 2004, het bestemmingsplan "Giethoorn, Ds. T.O. Hylkemaweg e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 januari 2005, kenmerk RWB/2004/3400, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 17 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2005, [appellant sub 2] bij brief van 16 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2005, [appellant sub 3] bij brief van 21 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2005, en [appellant sub 4] bij brief van 22 maart 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 mei 2005.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2005, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon en vertegenwoordigd door ing. L. Otto, [appellant sub 4], in persoon en vertegenwoordigd door mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad ing. A.P. van der Wal, ambtenaar van de gemeente, gehoord. [appellant sub 3] is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De beroepsgrond van [appellant sub 3], gericht tegen de goedkeuring van de omvang van het bouwvlak met de aanduiding "bedrijfwoningen toegestaan" wat betreft gronden ten zuiden van zijn perceel aan de [locatie 1] steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en bij verweerder ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen.

Dit is slechts anders, voor zover hier van belang, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze en bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 3] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planbeschrijving

2.4.    Het plan heeft betrekking op het gebied dat globaal gezien is gelegen tussen de Ds. T.O. Hylkemaweg en de Bartus Warnersweg te Giethoorn. Daarnaast behoort de grond ten noorden van de Cornelisgracht, voor zover gelegen langs de Beulakerweg, tot het plangebied. Het plan is grotendeels consoliderend van aard. Er wordt echter ook een aantal nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Het beroep van [appellant sub 1]

Het standpunt van appellant

2.5.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Openbaar erf" wat betreft het bestaande gedeelte van de Bartus Warnersweg. Hij wijst er op dat hij deze gronden eerder bij een ruilverkaveling heeft ingebracht en daarvoor een vergoeding heeft ontvangen die was gebaseerd op de aanleg van een weg, die slechts ter ontsluiting van de aangrenzende agrarische percelen zou dienen. Volgens appellant wordt de weg ten gevolge van het plan een openbare weg van algemeen nut. Hij betoogt dat ten onrechte is nagelaten voor een dergelijke wijziging van het gebruik van de weg toestemming te vragen aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Nu de gronden anders bestemd worden dan overeenkomstig het doel waarvoor ze oorspronkelijk verworven zijn, stelt appellant dat hij recht heeft op een aanvulling op de vergoeding die hij destijds heeft ontvangen ingevolge artikel 12 van de Ruilverkavelingswet 1954. Appellant betoogt voorts dat de Bartus Warnersweg niet is berekend op de toeneming van de verkeersintensiteit die ten gevolge van het plan is te verwachten.

Het bestreden besluit

2.5.1.    Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.2.1.    Appellant heeft in het kader van de ruilverkaveling welke is afgesloten in 1996 gronden ingebracht ten behoeve van de aanleg van een weg ter ontsluiting van de aangrenzende agrarische percelen. Deze weg, de Bartus Warnersweg, is in het vorige plan "Giethoorn 1994" aangewezen als "Verkeersgebied". In het plan is aan de bestaande Bartus Warnersweg de bestemming "Openbaar erf" toegekend. Verder voorziet het plan in een doortrekking van de Bartus Warnersweg naar de Ds. T.O. Hylkemaweg, door de gronden in het verlengde van de bestaande Bartus Warnersweg tot "Openbaar erf" te bestemmen. Ingevolge artikel 23, lid A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen als "Openbaar erf" bestemd voor wegen met uitsluitend een ontsluitingsfunctie voor (de aanliggende) erven, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, fiets- en of voetpaden en water, met de daarbij behorende andere bouwwerken.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3.    De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend het besluit omtrent de goedkeuring van het plan voorligt. Het verzoek van appellant om een extra vergoeding op grond van artikel 12 van de - overigens thans niet meer van kracht zijnde - Ruilverkavelingwet 1954, kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen. Voor zover appellant van mening is dat bij het opstellen van een bestemmingsplan waarbij een weg als de onderhavige wordt bestemd tot "Openbaar erf" toestemming van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit moet worden gevraagd, overweegt de Afdeling dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch een andere wet daartoe verplicht.

2.5.3.1.    Het plan zal een toeneming van de verkeersintensiteit op de Bartus Warnersweg met zich brengen. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat verweerder er niet van mocht uitgaan dat de rijbaan voldoende breed is voor een goede afwikkeling van het verkeer.

2.5.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden door appellant, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

Het standpunt van appellant

2.6.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied (A)" betreffende zijn gronden gelegen tussen de [locatie 2] en [locatie 3]. Deze bestemming voorziet volgens hem ten onrechte niet in de mogelijkheid een woning te bouwen. Appellant betoogt dat verweerder ter afwijzing van zijn bedenkingen ten onrechte heeft verwezen naar overwegingen over de volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de brochure) aan te houden afstanden tot bedrijvigheid, welke voor de gemeenteraad aanleiding zouden zijn geweest de woonbestemming ter plaatse te laten vervallen. Volgens hem heeft de gemeenteraad deze overweging niet gehanteerd. Appellant is van mening dat de brochure niet in de weg staat aan een woonbestemming ter plaatse, omdat het dichtstbijzijnde reële bedrijf zich op ongeveer 70 meter afstand van zijn perceel bevindt aan de [locatie 4]. Een woonbestemming leidt stedenbouwkundig gezien niet tot problemen, aldus appellant.

Het bestreden besluit

2.6.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het in zoverre goedgekeurd. Hij heeft aangegeven te kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat de bouw van een woning ter plaatse niet gewenst is, omdat daarmee niet wordt voldaan aan de in de brochure aanbevolen afstand ten opzichte van de er naast voorziene bedrijvigheid.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.2.1.    In het ontwerpplan zijn de gronden van appellant gelegen tussen de [locatie 2] en [locatie 3] aangewezen voor "Woningen (Wo)". De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied (A)" toegekend. De gronden ten zuiden van dit perceel aan de [locatie 3], [locatie 5], [locatie 6], [locatie 4], [locatie 7], en [locatie 1] hebben in het plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduiding "zone 1" gekregen. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van het ambachtelijke, dienstverlenende en/of nijverheidsbedrijf, niet zijnde detailhandel, met dien verstande dat uitsluitend bedrijven zijn toegestaan als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de "lijst van bedrijven", en voor een bedrijfswoning ten behoeve van het op hetzelfde bouwperceel gelegen bedrijf.

2.6.2.2.    Tussen partijen staat vast dat in de brochure een aan te houden afstand van 30 meter wordt aanbevolen tussen de bedrijvigheid die het plan toelaat binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en woningen.

2.6.2.3.    De gronden aan de [locatie 3] grenzen aan het perceel van appellant en de gronden aan de [locatie 5] bevinden zich op een afstand van ongeveer 20 meter van de perceelsgrens van appellant. Op de gronden aan de [locatie 3] en [locatie 5] zijn op dit moment geen bedrijven gevestigd.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.3.    Appellant richt zich met zijn beroep uitsluitend tegen de goedkeuring van het plan, voor zover daarbij in afwijking van het ontwerpplan niet langer de bestemming "Woningen (Wo)" maar de bestemming "Agrarisch gebied (A)" is opgenomen voor zijn gronden tussen de [locatie 2] en [locatie 3]. De gemeenteraad kan bij de vaststelling van het plan ambtshalve of naar aanleiding van ingediende zienswijzen afwijken van het ontwerp. Daargelaten de vraag of de overwegingen inzake de volgens de brochure aan te houden afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor de gemeenteraad aanleiding zijn geweest om in afwijking van het ontwerpplan voor het perceel van appellant geen woonbestemming op te nemen, heeft verweerder de brochure in redelijkheid als uitgangspunt voor zijn beoordeling kunnen nemen.

2.6.3.1.    Het plan maakt middels toekenning van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" aan de gronden aan de [locatie 3] en [locatie 5] de vestiging van bedrijven in categorie 1 of 2 mogelijk op een afstand van minder dan 30 meter van het perceel van appellant. Appellant noch anderen hebben in beroep de goedkeuring van dit plandeel aangevochten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een woonbestemming op de gronden van appellant gelegen tussen de [locatie 2] en [locatie 3] er toe zou leiden dat niet wordt voldaan aan de in de brochure aanbevolen afstand tot woonbebouwing voor bedrijven als hier aan de orde. Het beroep van appellant bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de brochure. De enkele stelling dat een woonbestemming ter plaatse stedenbouwkundig gezien niet tot problemen zal leiden, wat hier ook van zij, kan hiertoe geen aanleiding geven.

2.6.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden door appellant, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

Het standpunt van appellant

2.7.    Appellant stelt in beroep dat verweerder door uitsluitend goedkeuring te onthouden aan de in artikel 10, lid B, onder 2, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede "tenzij op de plankaart anders staat aangegeven, in welke situatie het op de plankaart aangegeven aantal bedrijfswoningen betrekking heeft op het als zodanig aangegeven gedeelte van het bouwvlak" zonder tevens goedkeuring te onthouden aan de op de plankaart opgenomen aanduiding "2 (maximum aantal bedrijfswoningen)", de bedoeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet consequent heeft doorgevoerd en een rechtsonzekere situatie in het leven heeft geroepen.

Het bestreden besluit

2.7.1.    Verweerder heeft overwogen dat het plan voor zover is voorzien in de mogelijkheid om per bedrijf een tweede bedrijfswoning te bouwen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop heeft hij goedkeuring onthouden aan de in artikel 10, lid B, onder 2, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede "tenzij op de plankaart anders staat aangegeven, in welke situatie het op de plankaart aangegeven aantal bedrijfswoningen betrekking heeft op het als zodanig aangegeven gedeelte van het bouwvlak". Door deze wijze van onthouding van goedkeuring is de op de plankaart opgenomen aanduiding "2 (maximum aantal bedrijfswoningen)" betekenisloos geworden en behoefde daaraan niet tevens goedkeuring te worden onthouden, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Appellant is eigenaar van het perceel aan de [locatie 1]. In het plan is aan het perceel ten zuiden van zijn perceel, gescheiden door een voorziene ontsluitingsweg, de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend. Op dit perceel is de aanduiding "2 (maximum aantal bedrijfswoningen)" opgenomen. Ingevolge artikel 10, lid B, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat voor bedrijfswoningen bovendien geldt dat per bouwperceel ten hoogste 1 bedrijfswoning is toegestaan, tenzij op de plankaart anders staat aangegeven, in welke situatie het op de plankaart aangegeven aantal bedrijfwoningen betrekking heeft op het als zodanig aangegeven gedeelte van het bouwvlak.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.3.    Uit de overwegingen die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, blijkt dat verweerder de mogelijkheid van de bouw van een tweede bedrijfswoning per bedrijf in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening. Door in het dictum goedkeuring te onthouden aan de in artikel 10, lid B, onder 2, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede "tenzij op de plankaart anders staat aangegeven, in welke situatie het op de plankaart aangegeven aantal bedrijfswoningen betrekking heeft op het als zodanig aangegeven gedeelte van het bouwvlak" zonder dit gepaard te laten gaan met de onthouding van goedkeuring aan de op de plankaart opgenomen aanduiding "2 (maximum aantal bedrijfswoningen)", staat er op de plankaart een aanduiding die niet verklaard wordt in de planvoorschriften.

Hoewel aan de aanduiding geen betekenis toekomt nu daarover geen bepaling in de planvoorschriften is opgenomen, kan toch onduidelijkheid bestaan over de bebouwingsmogelijkheden ter plaatse. Uit een oogpunt van rechtszekerheid acht de Afdeling dit niet aanvaardbaar. Verweerder had daarom geen goedkeuring mogen verlenen aan de op de plankaart opgenomen aanduiding "2 (maximum aantal bedrijfswoningen)". Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, door goedkeuring te onthouden aan voornoemde aanduiding.

Het beroep van [appellant sub 4]

Het standpunt van appellant

2.8.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover dit de bouw van woningen mogelijk maakt op een afstand van minder dan 30 meter van zijn horecabedrijf.

Hij vreest hierdoor in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt en stelt dat in dit deel van het plangebied geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Volgens appellant heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval van de in de brochure genoemde afstanden kan worden afgeweken.

Het bestreden besluit

2.8.1.    Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.8.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.2.1.    Appellant exploiteert aan de [locatie 8] het horecabedrijf [naam].

2.8.2.2.    Aan gronden ten oosten en ten zuiden van het bedrijf van appellant is in het plan de bestemming "Centrumvoorzieningen (CV)" toegekend. Ingevolge artikel 7, lid A, van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - zijn deze gronden wat betreft de begane grond bestemd voor wonen, detailhandel en dienstverlening en wat betreft de verdiepingen bestemd voor wonen en opslag ten behoeve van de op de begane grond gevestigde functie. De afstand van voornoemde plandelen tot het bedrijf van appellant bedraagt 20 respectievelijk 23 meter.

2.8.2.3.    In de brochure wordt tussen restaurants en een rustige woonwijk een minimale afstand van 30 meter aanbevolen voor het aspect geur. Een correctie met één afstandsstap lager, hetgeen een aan te houden afstand van ten minste 10 meter betekent, vanwege het feit dat het omgevingstype een drukke woonwijk dan wel een gemengd gebied is, is voor het aspect geur volgens de brochure niet mogelijk, tenzij in de concrete situatie bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.3.    Het plan wijkt wat betreft de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen (CV)" die zijn voorzien ten oosten en zuiden van het horecabedrijf van appellant in niet geringe mate af van de in de brochure genoemde minimale afstand voor dergelijke bedrijven. Verweerder kan worden toegegeven dat de in de brochure aangegeven afstanden indicatief zijn. Nu verweerder echter de brochure als uitgangspunt voor zijn beoordeling heeft genomen, had een afwijking van de daarin neergelegde afstanden dienen te worden gemotiveerd. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet waarom een afwijking van de indicatieve afstanden in dit geval uit planologisch oogpunt aanvaardbaar moet worden geacht. Gelet op hetgeen in 2.8.2.3. is vastgesteld, is het enkele argument van verweerder dat het plangebied niet te karakteriseren is als een rustige woonwijk, maar als een drukke woonwijk of een gemengd gebied, op zichzelf onvoldoende om de in het plan aangehouden afstand aanvaardbaar te achten.

2.8.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen (CV)", voor zover nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 3], voor zover gericht tegen de goedkeuring van de omvang van het bouwvlak met de aanduiding "bedrijfswoningen toegestaan" wat betreft gronden ten zuiden van zijn perceel aan de [locatie 1] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, en het beroep van [appellant sub 4] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 25 januari 2005, kenmerk RWB/2004/3400, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

1. de aanduiding "2 (maximum aantal bedrijfswoningen)" op de plankaart;

2. de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen (CV)" voor zover nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het onder III.1 genoemde planonderdeel;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder III.1 vermelde onderdeel van het bestreden besluit;

VI.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro);

dit bedrag dient door de provincie Overijssel onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald aan:

1. [appellant sub 3] € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. [appellant sub 4] € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de provincie Overijssel aan [appellant sub 3] en [appellant sub 4], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

12-466.

plankaart