Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200508430/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De  raad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum heeft bij besluit van 31 maart 2005, het wijzigingsplan "Tweede Wijziging bestemmingsplan Leidse- en Weteringbuurt 1998" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508430/2.

Datum uitspraak: 2 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Wijkcentrum d'Oude Stadt, gevestigd te Amsterdam, en [overige verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

De  raad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum heeft bij besluit van 31 maart 2005, het wijzigingsplan "Tweede Wijziging bestemmingsplan Leidse- en Weteringbuurt 1998" vastgesteld.

Bij besluit van 3 augustus 2005, kenmerk 2005-27173, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 3 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2005, waar verzoekers, in persoon en vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij het wijkcentrum, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, zijn verschenen.

Voorts zijn  als partij gehoord het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, vertegenwoordigd door E.P. Swijter, ambtenaar van het stadsdeel, en Garanti Bank Internationaal N.V., vertegenwoordigd door mr. G.J.H. Heutink, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het wijzigingsplan heeft betrekking op het pand Keizersgracht 573-575. In het bestemmingsplan "Leidse- en Weteringbuurt 1998" zijn de gronden waarop dit pand staat bestemd voor "Gemengde doeleinden" met de aanduiding "woningen niet toegestaan". Het wijzigingsplan beoogt in de eerste bouwlaag van het perceel Keizersgracht 575 een parkeervoorziening mogelijk te maken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan het plan goedkeuring verleend.

2.3.    Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Zij betogen dat het plan in strijd is met de criteria genoemd in artikel 9, derde lid, onder a, eerste volzin, van de bestemmingsplanvoorschriften. Voorts stellen zij dat onvoldoende rekening is gehouden met de monumentale status van het pand en dat de noodzaak de desbetreffende parkeervoorziening te realiseren ontbreekt.

Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen vragen verzoekers om schorsing van het bestreden besluit.

2.4.    Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is de raad bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de bestemming te wijzigen teneinde in de eerste bouwlaag van gebouwen inpandige parkeervoorzieningen te realiseren, met dien verstande dat de breedte van de toegang tot de parkeervoorziening ten hoogste 3,50 meter bedraagt en de parkeervoorziening in niet meer dan twee aaneengesloten panden mag worden gerealiseerd.  

De overige criteria waaraan de raad de wijzigingsbevoegdheid dient te toetsen, zijn, ingevolge artikel 3, elfde lid, opgenomen in artikel 9.

Ingevolge artikel 9, derde lid, onder a, voor zover thans van belang, zijn aan de grachten nieuwe inpandige parkeervoorzieningen niet gewenst, tenzij gebruik kan worden gemaakt van een bestaande entree of anderszins een verdere aantasting van het straatbeeld kan worden voorkomen.

2.5.    Gelet op het verhandelde ter zitting is met name in geschil of bij de totstandkoming van het wijzigingsplan voldoende rekening is gehouden met de stedenbouwkundige inpasbaarheid van de desbetreffende parkeervoorziening. Gelet op artikel 9, derde lid, van de planvoorschriften geldt daarbij als uitgangspunt dat aan de grachten nieuwe inpandige parkeervoorzieningen niet gewenst zijn. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan worden gemaakt indien sprake is van een bestaande entree of anderszins een verdere aantasting van het straatbeeld kan worden voorkomen. Vast staat dat in dit geval ten behoeve van het parkeren geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaande entree. Gelet hierop dient de vraag te worden beantwoord of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met het wijzigingsplan een verdere aantasting van het straatbeeld wordt voorkomen. In het bestemmingsplan is niet uitgewerkt wanneer van een aantasting van het straatbeeld sprake is. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming, in navolging van de deelraad, gewicht toegekend aan de omstandigheid dat een monumentenvergunning is verleend voor het aanbrengen van een garagedeur in de pui van de voorgevel. Bij de beoordeling of sprake is van een aantasting van het straatbeeld dienen echter naast de gevolgen van het aanbrengen van een toegangspoort in de pui voor de architectuur van het pand, ook de gevolgen van het gebruik van de parkeervoorziening te worden bezien. Hetgeen het wijzigingsplan mogelijk maakt, dient immers los te worden gezien van het thans op het perceel aanwezige pand, aangezien de mogelijk gemaakte parkeervoorziening onderdeel is gaan uitmaken van de ter plaatse geldende bestemming van de gronden. Ook indien het bestaande monumentale pand zou worden gesloopt, blijft de mogelijkheid ter plaatse een parkeervoorziening te realiseren bestaan. De Voorzitter overweegt dat niet is gebleken dat verweerder de gevolgen van het gebruik van de parkeervoorziening voor het straatbeeld in zijn besluitvorming heeft betrokken. Gelet op het voorgaande acht hij de verwachting gerechtvaardigd dat het beroep van verzoekers in de bodemprocedure gegrond zal worden verklaard. Derhalve ziet de Voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

2.6.    Het verzoek dient te worden toegewezen.

2.7.    Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 3 augustus 2005, kenmerk 2005-27173;

II.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Hanrath

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005

392.