Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200507907/1 en 200508315/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 20 januari 2005 heeft de Minister aan het college verzocht om met toepassing van artikel 40 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen van de bepalingen van de bestemmingsplannen "Schinveld-Oost" en "Buitengebied" teneinde in een deel van de Schinveldse bossen de volgende maatregelen te kunnen treffen:

- het afzagen van bomen op een hoogte van ongeveer 1 meter boven de grond in een strook van 6 ha langs een Nederlands-Duitse grensweg;

- het afzagen van een beperkt aantal te hoge bomen in de overige 14 ha;

- het vervolgens uitvoeren van een hakhoutbeheersplan om te voorkomen dat de bomen te hoog worden.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/50 met annotatie van A.A.J. de Gier
M en R 2006, 39 met annotatie van S. Hillegers
Gst. 2006, 104 met annotatie van J. Robbe
Module Ruimtelijke ordening 2005/2377
JB 2006/20
OGR-Updates.nl 1001108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507907/1 en 200508315/1.

Datum uitspraak: 2 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de vereniging "Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken"

gevestigd te Onderbanken,

2. de vereniging "Vereniging Stop Awacs Overlast",

gevestigd te Brunssum,

3. [verzoekers sub 3], wonend te Schinveld,

4. [verzoekers sub 4], wonend te Schinveld,

5. [verzoeker sub 5], wonend te Landgraaf,

en

1. de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

(hierna: de Minister),

2. het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken

(hierna: het college),

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij brief van 20 januari 2005 heeft de Minister aan het college verzocht om met toepassing van artikel 40 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen van de bepalingen van de bestemmingsplannen "Schinveld-Oost" en "Buitengebied" teneinde in een deel van de Schinveldse bossen de volgende maatregelen te kunnen treffen:

- het afzagen van bomen op een hoogte van ongeveer 1 meter boven de grond in een strook van 6 ha langs een Nederlands-Duitse grensweg;

- het afzagen van een beperkt aantal te hoge bomen in de overige 14 ha;

- het vervolgens uitvoeren van een hakhoutbeheersplan om te voorkomen dat de bomen te hoog worden.

Bij brief van 2 maart 2005 heeft het college aan de Minister medegedeeld medewerking te verlenen aan de verzochte vrijstelling.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft het college onder voorwaarden vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan "Schinveld-Oost" voor het afzagen van de toppen van acht bomen.

Bij besluit van 3 augustus 2005 heeft de Minister de in zijn voornoemde brief van 20 januari 2005 verzochte vrijstelling integraal verleend.

Tegen het besluit van de Minister hebben onder meer verzoekers bezwaar gemaakt. Tegen het besluit van het college heeft onder meer de Vereniging Stop Awacs Overlast bezwaar gemaakt. Bij brief van 17 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2005, heeft Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van de Minister. Bij faxbericht van 29 september 2005 heeft de Vereniging Stop Awacs Overlast de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van beide besluiten. Bij faxbericht van 29 september 2005 hebben [verzoekers sub 3] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van de Minister. Bij brief van 29 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2005, hebben [verzoekers sub 4] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van de Minister.

Bij brief van 29 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2005, heeft [verzoeker sub 5] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van de Minister.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 november 2005, waar Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken, vertegenwoordigd door [voorzitter], Vereniging Stop Awacs Overlast, vertegenwoordigd door [voorzitter], [verzoekers sub 3], vertegenwoordigd door J.H. Theunissen, [verzoekers sub 4] in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door H. Ubachs, wethouder, zijn verschenen.

Voorts is de Staatssecretaris van Defensie, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, voornoemd, als partij gehoord en is het college, vertegenwoordigd door H. Ubachs, voornoemd, met betrekking tot het besluit van de Minister als partij gehoord.

[verzoeker sub 5] is ter zitting niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid bezwaar

2.2.    Ingevolge artikel 54, tweede lid, onder j, van de WRO kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep worden ingesteld tegen een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 40.

In artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend bij de administratieve rechter beroep in te stellen tegen een besluit, alvorens beroep in te stellen bezwaar tegen dit besluit dient te maken.

In artikel 8:1, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Uit artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb volgt dat slechts een belanghebbende tegen een besluit bezwaar kan maken. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Uit de stukken blijkt dat uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte, in het procesverloop genoemde, maatregelen in de Schinveldse bossen, er bij bepaalde weersomstandigheden toe kan leiden dat AWACS-vliegtuigen die vanaf de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen in westelijke richting opstijgen, in vergelijking met de bestaande situatie 20 meter lager over de bebouwde kommen van Brunssum en Schinveld vliegen.

   [verzoeker sub 5] woont te Landgraaf. Uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen, leidt niet tot gewijzigd gebruik van het luchtruim boven Landgraaf. Niet is gebleken dat verzoeker anderszins een belang heeft dat rechtstreeks bij dit besluit is betrokken. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat [verzoeker sub 5] geen belanghebbende is bij het besluit van de Minister en is hij voorshands van mening dat dit bezwaar door de Minister niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard. Het verzoek van [verzoeker sub 5] dient dan ook te worden afgewezen.

Bevoegdheid van de Minister

2.3.    Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken, de Vereniging Stop Awacs Overlast, [verzoekers sub 3], en [verzoekers sub 4] (hierna: de overige verzoekers) stellen dat het verzoek van de Minister onbevoegd is gedaan, aangezien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de WRO. Volgens hen is bovendien het besluit van de Minister onbevoegd genomen, aangezien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 40, negende lid, van de WRO.

2.3.1.    In artikel 40, eerste lid, van de WRO is, voor zover hier van belang, bepaald dat de Minister het college van burgemeester en wethouders kan verzoeken ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van dat project in de naaste toekomst aangewezen is en naar het oordeel van de Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen.

   In artikel 40, negende lid, van de WRO is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien het college van burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn besluit dan wel bij zijn besluit geen vrijstelling verleent, de Minister besluit omtrent het verlenen van de vrijstelling.

2.3.2.    Het besluit van de Minister beoogt de aanleg en instandhouding van een met de NAVO-vliegveiligheidsvoorschriften overeenstemmende obstakelvrije vliegfunnel mogelijk te maken ten westen van de start- en landingsbaan van de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen. Niet in geschil is dat de bestaande situatie niet voldoet aan de NAVO-vliegveiligheidsvoorschriften en dat door de voortgaande groei van de bomen in het direct aan de vliegbasis grenzende deel van de Schinveldse bossen de afwijking van deze voorschriften steeds groter wordt. Deze voorschriften zijn minder streng dan de voorschriften voor de burgerluchtvaart die op grond van het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen voor de Nederlandse militaire vliegbases gelden. Uit de stukken blijkt dat de Minister gedurende de voorgaande vijftien jaar veelvuldig overleg met het gemeentebestuur van Onderbanken (voorheen: Schinveld) heeft gepleegd over de aanleg en instandhouding van bovengenoemde funnel, maar dat het gemeentebestuur iedere medewerking heeft geweigerd.

   Het verzoek van de Minister is gericht op de verwezenlijking van een project. Gezien de reeds bestaande discrepantie tussen de feitelijke situatie en de vliegveiligheidsvoorschriften, het feit dat deze discrepantie in de naaste toekomst slechts groter wordt en het feit dat met het waarborgen van de vliegveiligheid grote belangen zijn gediend, is de Voorzitter van oordeel dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bovengemeentelijke belangen de verwezenlijking van het project vorderen en deze verwezenlijking in de naaste toekomst is aangewezen.

Voorts is de Voorzitter van oordeel dat de Minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen. Het verzoek van de Minister voldoet derhalve aan het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de WRO.

2.3.3.    De zogenoemde Nimby-procedure van artikel 40 van de WRO is er blijkens de wetsgeschiedenis op gericht de besluitvorming te forceren teneinde de verwezenlijking van een project mogelijk te maken.

Als sluitstuk van deze procedure laat artikel 40, negende lid, van de WRO aan het college van burgemeester en wethouders twee mogelijkheden:

ofwel vrijstelling verlenen, ofwel vrijstelling weigeren waarna de bevoegdheid te besluiten omtrent vrijstelling overgaat op de Minister. Voor de toepassing van artikel 40, negende lid, van de WRO is echter niet slechts bepalend of vrijstelling is verleend. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat indien vrijstelling is verleend ook van belang is of de verleende vrijstelling overeenstemt met doel en strekking van het daaraan ten grondslag liggende verzoek. Een andersluidend oordeel zou immers betekenen dat het verlenen van een vrijstelling die niet overeenstemt met doel en strekking van het verzoek, zou verhinderen dat de bevoegdheid te besluiten omtrent vrijstelling op de Minister overgaat en verwezenlijking van het project niet mogelijk zou worden gemaakt. Een besluit tot vrijstelling dat niet overeenstemt met doel en strekking van het verzoek, dient dan ook te worden aangemerkt als weigering van de verzochte vrijstelling. Bij het bepalen van doel en strekking van het verzoek is het te verwezenlijken project bepalend.

   In het voorliggende geval is het te verwezenlijken project de aanleg en instandhouding van een met de NAVO-vliegveiligheidsvoorschriften overeenstemmende obstakelvrije vliegfunnel ten westen van de start- en landingsbaan van de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen. Het college heeft bij zijn besluit onder voorwaarden vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan "Schinveld-Oost" voor het afzagen van de toppen van acht bomen. Uit de aan het verzoek en het besluit van de Minister ten grondslag gelegde onderzoeken blijkt evenwel dat aanzienlijk meer bomen in de obstakelvrije vliegfunnel steken dan de acht bomen waarop het besluit van het college betrekking heeft. In het van 14 oktober 2005 daterende onderzoek 'Inventarisatie boomhoogtes en toetsing maximaal toelaatbare hoogte Schinveldse bossen' van Loo Plan wordt dit bevestigd. Voorts is van belang dat zelfs indien vast zou staan dat slechts deze acht bomen in de obstakelvrije vliegfunnel zouden steken, het besluit van het college slechts een zeer tijdelijke obstakelvrije vliegfunnel mogelijk zou maken, terwijl het te verwezenlijken project bestaat uit de aanleg en instandhouding van een obstakelvrije vliegfunnel. Naar het oordeel van de Voorzitter stemt het vrijstellingsbesluit van het college dan ook niet overeen met doel en strekking van het verzoek, zodat dit als weigering van de verzochte vrijstelling dient te worden aangemerkt en de bevoegdheid te besluiten omtrent vrijstelling op de Minister is overgegaan.

   Gezien het vorenstaande dient het verzoek van de Vereniging Stop Awacs Overlast ten aanzien van het besluit van het college te worden afgewezen.

Bezwaren ten aanzien van de totstandkoming van het besluit van de Minister

2.4.    De overige verzoekers stellen voorts dat het besluit van de Minister niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en gebrekkig is gemotiveerd. Zij voeren aan dat de indieners van bedenkingen ten onrechte niet zijn gehoord en dat in het besluit niet is ingegaan op de ingebrachte bedenkingen. [verzoekers sub 4] stellen dat de Minister ten onrechte voorbij is gegaan aan de moties van de Tweede Kamer en Provinciale Staten van Limburg die opriepen om af te zien van de voorgenomen maatregelen in de Schinveldse bossen.

2.4.1.    Naar het oordeel van de Voorzitter heeft de Minister niet onzorgvuldig gehandeld door af te zien van het houden van een hoorzitting nu hij, gezien het grote aantal ingebrachte bedenkingen en de lange voorgeschiedenis van het vrijstellingsverzoek, ten tijde van het nemen van zijn besluit moet worden geacht voldoende voorgelicht te zijn geweest omtrent de bezwaren die bestaan tegen de door hem verzochte vrijstelling.

   In zijn besluit heeft de Minister per onderwerp gereageerd op de ingebrachte bedenkingen. Niet op alle ingebrachte bedenkingen is afzonderlijk en expliciet ingegaan. Aangezien de Minister in zijn besluit gemotiveerd is ingegaan op de onderwerpen die in de bedenkingen aan de orde zijn gesteld, is de Voorzitter niettemin van oordeel dat de ingebrachte bedenkingen voldoende gemotiveerd zijn weerlegd.

   De door verzoekers bedoelde moties zijn juridisch niet bindend voor de Minister. De Minister was dan ook niet gehouden deze moties uit te voeren. Uit het besluit blijkt dat de Minister de bezwaren die bestaan tegen de voorgenomen maatregelen in de Schinveldse bossen uitdrukkelijk in de belangenafweging heeft betrokken. Het besluit van de Minister is in zoverre dan ook niet onzorgvuldig voorbereid of gebrekkig gemotiveerd.

Bezwaren met betrekking tot de uitvoeringsgereedheid van het project

2.5.    Een aantal van de overige verzoekers stelt dat het project niet uitvoeringsgereed is aangezien nog een kapvergunning, een vergunning op grond van de provinciale milieuverordening en een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet zijn vereist.

2.5.1.    Het in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Onderbanken opgenomen verbod op het vellen of doen vellen van houtopstanden zonder kapvergunning geldt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, derde lid, van de Boswet, niet voor bossen en houtopstanden die deel uitmaken van bosbouwondernemingen die als zodanig bij het Bosschap geregistreerd staan, en niet gelegen zijn binnen een bebouwde kom.

Het verzoek om vrijstelling van de Minister is gedaan ten behoeve van de Staatssecretaris van Defensie. Het Ministerie van Defensie is blijkens de stukken een bij het Bosschap geregistreerde bosbouwonderneming. Het deel van de Schinveldse bossen waarop het besluit van de Minister betrekking heeft, ligt niet binnen de bebouwde kom. Gelet hierop heeft de Minister zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de uitvoering van de door zijn besluit mogelijk gemaakte maatregelen geen kapvergunning is vereist.

   In de provinciale milieuverordening Limburg kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor de stelling van verzoekers dat op grond van deze verordening een vergunning vereist zou zijn voor de uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen.

   Uit de stukken blijkt dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet reeds is verleend. Ter zitting is gebleken dat tegen de ongegrondverklaring van de daartegen ingediende bezwaren geen beroep is ingesteld, zodat deze ontheffing inmiddels onherroepelijk is geworden.

Bezwaren met betrekking tot de oorsprong en omvang van de operationele beperkingen

2.6.    Een aantal van de overige verzoekers stelt dat de wijze waarop de vliegbasis is aangelegd de oorzaak is van de bestaande operationele beperkingen en dat de Nimby-procedure niet mag worden gebruikt om de destijds gemaakte fouten te herstellen. Daarnaast stellen zij dat de omvang van de operationele beperkingen voor de vliegbasis nooit inzichtelijk is gemaakt, zodat de noodzaak van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen niet is aangetoond.

2.6.1.    Niet in geschil is dat de bestaande situatie niet voldoet aan de NAVO-vliegveiligheidsvoorschriften, welke minder streng zijn dan de voorschriften voor de burgerluchtvaart die op grond van het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen voor de Nederlandse militaire vliegbases gelden. Uit de stukken blijkt dat vanwege deze afwijking van de voorschriften, ter waarborging van de vliegveiligheid op en rond de vliegbasis, afwijkende vlieginstructies gelden. Aannemelijk is dat deze afwijkende vlieginstructies operationele beperkingen met zich brengen.

Door de voortgaande groei van de bomen in het direct aan de vliegbasis grenzende deel van de Schinveldse bossen, wordt de afwijking van de vliegveiligheidsvoorschriften steeds groter. Uit de stukken blijkt dat de vlieginstructies om die reden steeds verder dienen te worden bijgesteld waardoor de operationele beperkingen groter worden. Door de gezagvoerder van de NAVO-vliegbasis is in het rondetafelgesprek op 11 maart 2004 met de Vaste Commissie voor VROM van de Tweede Kamer evenwel aangegeven dat binnen afzienbare tijd de situatie wordt bereikt waarin de vlieginstructies niet langer zodanig kunnen worden bijgesteld dat de vliegveiligheid op en rond de vliegbasis kan worden gewaarborgd.

Gezien het grote belang dat is gediend met de vliegveiligheid op en rond de vliegbasis, acht de Voorzitter de noodzaak van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen voldoende aannemelijk gemaakt.

De omvang van de operationele beperkingen is in dat verband niet relevant, evenmin als de door verzoekers gestelde oorzaak daarvan.

Bezwaren ten aanzien van geluidhinder en luchtkwaliteit

2.7.    Een aantal van de overige verzoekers stelt dat uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen ertoe zal leiden dat in Brunssum en Schinveld de bestaande geluidsoverlast zal toenemen en de luchtkwaliteit zal verslechteren.

2.7.1.    Uit de stukken blijkt dat uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen er bij bepaalde weersomstandigheden toe kan leiden dat AWACS-vliegtuigen die vanaf de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen in westelijke richting opstijgen, in vergelijking met de bestaande situatie 20 meter lager over de bebouwde kommen van Brunssum en Schinveld vliegen. Uit de aan het besluit van de Minister ten grondslag liggende onderzoeken blijkt dat daardoor de geluidbelasting in Brunssum en Schinveld met minder dan 0,5 dB(A) zal toenemen, welke toeneming niet waarneembaar is voor het menselijk oor. Daaruit blijkt voorts dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren, aangezien het aantal vliegbewegingen ongewijzigd blijft. Verzoekers hebben deze onderzoeksresultaten niet gemotiveerd bestreden. De enkele stelling ter zitting dat de geluidhinder op korte afstand van de vliegbasis met meer dan 0,5 dB(A) zal toenemen en de enkele stelling dat de luchtkwaliteit wel zal verslechteren, acht de Voorzitter in dit verband onvoldoende. De Voorzitter gaat voorshands dan ook uit van de juistheid van het standpunt van de Minister dat de bestaande geluidsoverlast niet merkbaar zal toenemen en de luchtkwaliteit niet zal verslechteren.

Bezwaren met betrekking tot natuurwaarden en alternatievenonderzoek

2.8.    Een aantal van de overige verzoekers stelt dat uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen zal leiden tot een ernstige aantasting van de in het gebied aanwezige flora en fauna. Volgens hen is ten onrechte nagelaten een milieu-effectrapport op te stellen waarin de milieugevolgen worden geïnventariseerd en onderzoek naar alternatieven wordt verricht. Het aan de Minister voorgelegde alternatief is volgens hen ten onrechte afgewezen waarbij slechts aan financiële belangen en het belang van de NAVO gewicht is toegekend.

2.8.1.    Uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen zal ertoe leiden dat de in het gebied aanwezige flora en fauna zal worden aangetast. Voor deze aantasting is een onherroepelijke ontheffing op grond van de Flora- en faunawet verleend. In het kader van de Flora- en faunawet spelen ruimtelijke belangen evenwel geen rol.

Aangezien de Schinveldse bossen een oppervlakte van ongeveer 380 ha beslaan en het besluit van de Minister slechts betrekking heeft op een gedeelte van 20 ha, is niet aannemelijk dat dit bosgebied wezenlijk van karakter zal wijzigen. Het gedeelte van het bosgebied dat als buffer fungeert tussen de kernen Brunssum en Schinveld en de vliegbasis blijft grotendeels onaangetast. Uit de aan het besluit van de Minister ten grondslag liggende onderzoeken volgt dat het gebied van 20 ha weliswaar ingrijpend van karakter zal wijzigen, maar dat dit niet zonder meer behoeft te betekenen dat dit gebied uit ecologisch oogpunt waardeloos wordt. Het gebied kan zich blijkens deze onderzoeken bij beheer als zogenoemd hakhoutbos tot een ecologisch bijzonder waardevol gebied ontwikkelen. Verzoekers hebben deze onderzoeken niet gemotiveerd bestreden. De Minister heeft aan de wijziging van het karakter van het gebied van 20 ha, dan ook geen doorslaggevend gewicht behoeven toe te kennen.

   In het Besluit Milieu-effectrapportage kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor een verplichting om een milieu-effect rapport op te stellen voorafgaand aan het nemen van een besluit zoals het besluit van de Minister. Aan het besluit ligt een aantal onderzoeken ten grondslag. In deze onderzoeken is ten behoeve van de aanvraag om ontheffing op grond van de Flora- en faunawet uitvoerig geïnventariseerd welke milieu-effecten uitvoering van de door het besluit van de Minister mogelijk gemaakte maatregelen met zich brengen. Voorts is onderzoek verricht naar alternatieven voor deze maatregelen. Gelet hierop bestond ten tijde van de besluitvorming bij de Minister voldoende kennis van de milieu-effecten van de voorgenomen maatregelen en van mogelijke alternatieven daarvoor en heeft hij een afgewogen beslissing kunnen nemen.

   Uit de stukken blijkt dat het door verzoekers en het gemeentebestuur van Onderbanken voorgestane alternatief bestaat uit een verplaatsing van de zogenoemde landingsdrempel in oostelijke richting en verlenging van de start- en landingsbaan in oostelijke richting. Uitvoering van dit alternatief zou blijkens de stukken aanzienlijke kosten met zich brengen. Bovendien zou verplaatsing in oostelijke richting betekenen dat aan Duitse zijde niet wordt voldaan aan de vliegveiligheidsvoorschriften van de NAVO, terwijl ook aan Duitse zijde recent de nodige maatregelen zijn genomen om aan deze voorschriften te voldoen. Gelet op deze verplaatsing van het probleem en in aanmerking genomen de grote financiële kosten, is de Voorzitter van oordeel dat de Minister er in redelijkheid van heeft kunnen afzien de uitvoerbaarheid van dit alternatief verder te onderzoeken.

Bezwaren met betrekking tot de rechtszekerheid

2.9.    Een aantal van de overige verzoekers stelt dat in het besluit van de Minister onvoldoende duidelijk is aangegeven hoever de verleende vrijstelling strekt. Zij achten dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.9.1.    In het besluit van de Minister is voor de maatregelen omschreven in het aan hem gerichte verzoek van de Staatssecretaris van Defensie van 21 december 2004 in het daarin aangegeven gebied vrijstelling verleend van:

1. de bestemming "Natuurgebied tevens waterwingebied" van het bestemmingsplan "Schinveld-Oost";

2. de bestemming "Natuurgebied" van het bestemmingsplan "Buitengebied";

3. de in die bestemmingsplannen van de gemeente Onderbanken opgenomen aanlegvergunningstelsels.

   In het verzoek van de Staatssecretaris van Defensie is op een kaart aangeduid op welk gebied dit verzoek betrekking heeft. Voorts is daarin aangegeven dat in een strook van 6 ha van dit 20 ha grote gebied de bomen tot op een hoogte van ongeveer 1 meter worden afgezaagd en dat in de overige 14 ha de bomen blijven staan met uitzondering van een beperkt aantal bomen dat in het obstakelvrij vlak steekt. Ten slotte is daarin aangegeven dat na uitvoering van deze activiteiten een zogenoemd hakhoutbeheersplan zal worden uitgevoerd om te voorkomen dat de bomen in het gebied opnieuw te hoog worden.

   De maatregelen in de strook van 6 ha zijn voldoende rechtszeker omschreven. Ook wat betreft de uitvoering van een zogenoemd hakhoutbeheersplan, acht de Voorzitter het besluit van de Minister voldoende rechtszeker. Daarbij betrekt hij dat in het verzoek van de Staatssecretaris van Defensie dit hakhoutbeheersplan uitvoerig is toegelicht.

De maatregelen in de overige 14 ha zijn omschreven op een wijze die onvoldoende rechtszekerheid biedt. Onduidelijk is of de bomen die in het obstakelvrij vlak steken tot op 1 meter boven de grond zullen worden afgezaagd, of dat alleen de top uit deze bomen zal worden verwijderd.

Voorts is onduidelijk op hoeveel bomen deze maatregelen zullen worden toegepast. In dit verband is van belang dat in het verzoek van de Staatssecretaris is vermeld dat in het gebied van 14 ha naar schatting 10 bomen in het obstakelvrij vlak steken, terwijl ter zitting aan de hand van het hierboven genoemde onderzoek van Loo Plan is gebleken dat in dit gebied enkele honderden bomen in het obstakelvrij vlak steken.

De Voorzitter ziet in deze onduidelijkheden aanleiding om het besluit van de Minister te schorsen, voor zover dat betrekking heeft op het gebied van 14 ha.

Eindafweging

2.10.    Gelet op het vorenstaande verwacht de Voorzitter niet dat de door verzoekers ingediende bezwaarschriften behoeven te leiden tot herroeping van het besluit van de Minister, voor zover dat betrekking heeft op het gebied van 6 ha dat in de bijlage bij het aan de Minister gerichte verzoek van de Staatsecretaris van Defensie van 21 december 2004 is aangeduid.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de Minister er belang bij heeft zo snel mogelijk met de uitvoering van de door zijn besluit mogelijk gemaakte maatregelen te kunnen beginnen, aangezien aan de ontheffing op grond van de Flora- en faunawet de voorwaarde is verbonden dat deze maatregelen niet in het op 1 maart beginnende broedseizoen mogen worden uitgevoerd. Mede gelet hierop dienen de overige verzoeken voor het overige te worden afgewezen.

Proceskosten

2.11.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten van [verzoekers sub 4] te worden veroordeeld.

Ten aanzien van Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken, de Vereniging Stop Awacs Overlast en [verzoekers sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [verzoeker sub 5] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Minister van 3 augustus 2005, kenmerk 2005170682, voor zover dat betrekking heeft op het in dat besluit genoemde gebied van 14 ha; deze schorsing vervalt na afloop van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, tenzij  binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend in welk geval de schorsing vervalt nadat op dit verzoek is beslist;

II.    wijst het verzoek van [verzoeker sub 5] geheel en de overige verzoeken voor het overige af;

III.    veroordeelt de Minister tot vergoeding van bij [verzoekers sub 4] in verband met de behandeling van hun verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 83,15;

het bedrag dient door de Staat der Nederlanden aan verzoekers onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden aan navolgende verzoekers het door hen voor de behandeling van hun verzoeken betaalde griffierecht vergoedt:

- aan Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken, en aan de Vereniging Stop Awacs Overlast een bedrag van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro);

- aan [verzoekers sub 3], en aan [verzoekers sub 4] een bedrag van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro);

V.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan de Vereniging Stop Awacs Overlast het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht in zaaknr. 200508315/1 ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005

417.