Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7577

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200506955/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2004 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 oktober 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506955/2.

Datum uitspraak: 2 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2004 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 oktober 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 juli 2005, no. 1059028, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoeker sub 1 bij brief van 1 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2005, verzoeker sub 2 bij brief van 7 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2005, en verzoeker sub 3 bij brief van 14 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2005, heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 7 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2005, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 14 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2005, heeft verzoeker sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 25 november 2005, waar verzoeker sub 1, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], verzoeker sub 2, vertegenwoordigd door P.A.J.M. Sweere, verzoeker sub 3, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [partijen], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de gemeenteraad van Moerdijk, vertegenwoordigd door mr. J.D.M. Coolen-Roest en drs. L.J.M. Willems, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op het geding van toepassing blijft.

2.3.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Moerdijk.

2.4.    Verzoeker sub 1 stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid - ALO", de bestemming "Agrarische doeleinden - A" en de nadere aanwijzing "bouwstede" ter plaatse van het perceel Noordseweg 6 te Langeweg. Volgens verzoeker maakt dit plandeel ten onrechte de bouw van een loods recht tegenover zijn woning mogelijk. Verzoeker stelt dat het uitzicht vanuit zijn woning zal verslechteren en dat de ingebruikneming van de loods tot extra stank, geluid- en stofhinder zal leiden.

2.4.1.    Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitzicht uit de woning van verzoeker niet in onevenredige mate zal worden aangetast door de bouw van een loods. Ook overigens meent verweerder dat het plan niet tot onaanvaardbare nadelen voor verzoeker zal leiden.

2.4.2.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, acht de Voorzitter aannemelijk dat de bouw van een loods op ongeveer 50 meter afstand van de woning van verzoeker leidt tot enige vermindering van het woon- en leefgenot van verzoeker, waaronder een verminderd uitzicht. De Voorzitter overweegt in dit verband dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Gelet op de ligging van het plandeel in een agrarisch gebied en de afstand van de bouwstede tot de woning van verzoeker, is de Voorzitter voorshands van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van verzoeker niet in ernstige mate zal worden aangetast door de bouw van de loods.

De Voorzitter verwacht derhalve niet dat de Afdeling in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het betrokken plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.3.    Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek van verzoeker sub 1 dient te worden afgewezen.

2.5.    Verzoeker sub 2 en verzoeker sub 3 stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid - ALO" met de aanduiding "kernrandzone", de bestemming "Detailhandelsdoeleinden - D" met de subbestemming "bouwmarkt - Dbm" ter plaatse van het perceel Molenstraat 137 en het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden - D" met de subbestemming "bouwmarkt - Dbm" en de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)" ter plaatse van het perceel Molenstraat 139-141 te Fijnaart.

Verzoeker sub 2 vreest extra verkeersbewegingen in de Molenstraat. Verder vindt hij dat de clustering van de meelfabriek, de brandstofverkoop en de gasflessenopslag een vergroot risico voor de veiligheid in de omgeving oplevert.

Verzoeker sub 3 voert aan dat het plan het voorzieningenniveau van de kern Fijnaart nadelig beïnvloedt. Volgens hem is het plan onvoldoende zorgvuldig voorbereid, onder meer wat betreft het voorkomen van vleermuizen in de opstallen.

2.5.1.    Verweerder heeft in de bedenking van verzoeker sub 2 aanleiding gezien het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden - D" met de subbestemming "bouwmarkt - Dbm" en de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)" ter plaatse van het perceel Molenstraat 139-141 te Fijnaart gedeeltelijk in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft goedkeuring onthouden aan de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)". Voor het overige heeft verweerder de betrokken plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze goedgekeurd.

2.5.2.    De Voorzitter overweegt ten aanzien van het verzoek van verzoeker sub 2 het volgende. Om tot een ontvankelijk beroep te kunnen komen dienen de door verzoeker ingediende beroepsgronden als zienswijze bij de gemeenteraad te zijn ingebracht. In zijn zienswijze heeft verzoeker zich beperkt tot de mogelijke vestiging van een benzineverkooppunt op het perceel Molenstraat 139-141 te Fijnaart. Aan dit bezwaar is verweerder tegemoetgekomen door gedeeltelijk goedkeuring te onthouden. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter verwacht dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van verzoeker voor zover het betreft de overige plandelen niet-ontvankelijk zal achten. Het verzoek dient derhalve ook in zoverre te worden afgewezen.

2.5.3.    Ten aanzien van de door verzoeker sub 3 naar voren gebrachte stelling dat het plan niet had mogen worden goedgekeurd in verband met de aanwezigheid van vleermuizen, overweegt de Voorzitter dat verzoeker geen gegevens heeft overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen vleermuizen bevinden. Gelet hierop en ook overigens, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, geen aanleiding voor de verwachting dat de Afdeling in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het betrokken plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5.4.    Gezien het voorgaande acht de Voorzitter geen aanleiding aanwezig om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken van verzoeker sub 2 en verzoeker sub 3 dienen te worden afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Bultema

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005

400.