Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200501506/1 en 200501511/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) een bouwvergunning eerste fase verleend aan het Sint Lucas Nederlands katholiek college voor middelbaar technisch beroepsonderwijs (hierna: vergunninghoudster) voor het intern verbouwen en uitbreiden van een schoolgebouw, op het perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie K, nummer 02274, plaatselijk bekend Grote Beemd 24 te Boxtel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/74 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Gst. 2006, 151 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Vastgoed en wonen 2005/448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501506/1 en 200501511/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de besloten vennootschap onder firma "H&S Boxtel B.V.", gevestigd te Boxtel,

tegen de uitspraken in zaak nos. AWB 04/2851 en 04/3250 en zaak nos. AWB 04/3351 en 04/3252 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 december 2004 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) een bouwvergunning eerste fase verleend aan het Sint Lucas Nederlands katholiek college voor middelbaar technisch beroepsonderwijs (hierna: vergunninghoudster) voor het intern verbouwen en uitbreiden van een schoolgebouw, op het perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie K, nummer 02274, plaatselijk bekend Grote Beemd 24 te Boxtel.

Bij onderscheiden besluiten van 28 september 2004 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 22 december 2004, verzonden op 7 januari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante sub 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het daartegen door appellanten sub 1 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brief van 17 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 2 november 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.E. Wannink, advocaat te Den Bosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Jovic en C.W.M. Kanters, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Het hoger beroep van appellante sub 2

2.1.    Appellante sub 2 exploiteert in het pand Rechterstraat 8, 10 en 12 te Boxtel, dat zij huurt van appellanten sub 1, een HEMA-vestiging. Het pand ligt op ongeveer 100 meter afstand van het te verbouwen en uit te breiden schoolgebouw.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Boxtel 1995 Centrum" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Maatschappelijke doeleinden".

      Ingevolge artikel 15, lid A II, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken noodzakelijk voor de bestemming "Maatschappelijk doeleinden" worden gebouwd, met dien verstande, dat de gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.

2.3.    Ter zitting heeft appellante sub 2 het geschil beperkt tot de vraag of de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingplan. Deze vraag dient volgens haar, gelet op de toelichting behorende bij het bestemmingsplan, ontkennend te worden beantwoord.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, nu de uitbreiding van het schoolgebouw - het bebouwen van de open binnenplaats - wordt gerealiseerd binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak. Aldus is voldaan aan artikel 15, lid A II, van de planvoorschriften. Zo in dit opzicht al sprake zou zijn van tegenstrijdigheid met de bij het bestemmingsplan behorende toelichting, zoals door appellante sub 1 is gesteld doch door het college is bestreden, geldt dat aan het planvoorschrift doorslaggevende betekenis toekomt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in deze zaak geen aanleiding.

Het hoger beroep van appellanten sub 1

2.5.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.6.    Appellanten sub 1 betogen in hoger beroep dat hun belangen, als eigenaar/verhuurder van het pand Rechterstraat 8, 10 en 12, voldoende zijn om als belanghebbende in de zin van de Awb te worden aangemerkt met betrekking tot het besluit van 4 juni 2004.

2.7.    Dit betoog slaagt. Appellanten sub 1 hebben er op gewezen dat door het realiseren van het bouwplan de verkeersintensiteit in de Burgstraat zal toenemen, waardoor het pand moeilijker bereikbaar zal zijn en dus ook moeilijker verhuurd zal kunnen worden. Hierdoor wordt de waarde van het pand in negatieve zin beïnvloed. Dit betekent dat het belang van appellanten sub 1 rechtstreeks bij de door hen bestreden bouwvergunning is betrokken. De Afdeling heeft in vergelijkbare gevallen, onder meer bij uitspraak van 23 maart 2005, zaak no. 200405028/1, reeds eerder in deze zin geoordeeld. Dit betekent dat het belang van appellanten sub 1 rechtstreeks bij de door hen bestreden bouwvergunning is betrokken.

    Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.8.    Het hoger beroep van appellanten sub 1 is in zoverre gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.9.    Ook appellanten sub 1 hebben het geschil ter zitting beperkt tot de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, hetgeen volgens hen gelet op de toelichting bij het bestemmingsplan het geval is. Zoals de Afdeling reeds hiervoor, onder 2.3.1., heeft overwogen treft dit betoog geen doel. De Afdeling zal het beroep van appellanten sub 1 derhalve ongegrond verklaren.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de door appellante sub 2 aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het hoger beroep van appellanten sub 1 gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 december 2004, AWB 04/2851 en 04/3250;

IV.    verklaart het door appellanten sub 1 bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxtel tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Boxtel aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer (200501506/1) te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Boxtel aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 (zegge: tweehonderdenvijf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

53-494.